Op grond van artikel 87, vijfde lid, van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wp2000), houdt de Autoriteit Consument en Markt (hierna: de ACM) toezicht op de naleving van, onder meer, hetgeen is bepaald bij of krachtens artikel 63c, vierde, zesde tot en met tiende lid van de Wp2000. De achtergronden bij die bepalingen uit de Wp2000 laten zich als volgt samenvatten. De Wp2000 kent als basisregel dat concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer in bepaalde regio’s in Nederland, aan openbaarvervoerbedrijven dienen te worden gegund door middel van openbare aanbestedingen. Artikel 63a, eerste en tweede lid, van de Wp2000 bevatten een uitzondering op die basisregel: bij uitzondering mogen bepaalde concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer worden gegund zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden.
Volgens artikel 63a, eerste lid, van de Wp2000, geldt die uitzondering ten eerste alleen in gebieden die de gemeenten Amsterdam, ’s-Gravenhage of Rotterdam omvatten. Op grond van artikel 63a, tweede lid, van de Wp2000 kan die uitzondering ook gelden voor de voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat.1Artikel 63a, tweede lid, van de Wp2000 vermeldt tevens dat het bevoegde overheidsorgaan van de zogenoemde voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat, in principe ook in staat is om een concessie voor openbaar vervoer (anders dan per trein) in te besteden aan een vervoerder waarover het voldoende zeggenschap uitoefent. Op het moment van vaststelling van deze Beleidsregel heeft het bevoegde orgaan echter geen of onvoldoende zeggenschap over een openbaarvervoerbedrijf om daaraan een concessie in te mogen besteden. Deze Beleidsregel is echter ook van toepassing, zodra het bevoegde bestuursorgaan in de voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat, voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 63a, tweede lid, van de Wp2000. Bij het opstellen van deze Beleidsregel waren bij de ACM geen gevallen (vervoerders) bekend, die vallen onder het toepassingsbereik van artikel 63c, elfde lid, van de Wp2000. Deze Beleidsregel is daarop vooralsnog niet van toepassing. Ten tweede geldt de uitzondering alleen voor concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer anders dan per trein, bijvoorbeeld voor openbaar vervoer per bus, tram en metro.2“Waar in deze regels over ‘openbaar vervoer’ wordt gesproken, wordt daarmee steeds bedoeld: openbaar vervoer, anders dan per trein.” De bevoegde overheidsorganen in die drie gebieden mogen concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer alleen gunnen zonder daarvoor een openbare aanbestedingsprocedure te doorlopen, als zij zelf een voldoende mate van zeggenschap3Volgens artikel 63a, eerste en tweede lid, van de Wp2000 is sprake van voldoende zeggenschap als het bevoegde overheidsorgaan invloed kan uitoefenen op de vervoerder in dezelfde mate ‘[...] als [zij] over haar eigen diensten zeggenschap uitoefent’. Zie voorts artikel 5, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007, betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad, PbEG L 315 van 3 december 2007, blz. 1, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016, PbEU L 354 van 23 december 2016, blz. 22. hebben over het vervoerbedrijf aan wie zij de concessie gunnen. Dat is bijvoorbeeld het geval als die overheidsorganen zelf eigenaar zijn van het vervoerbedrijf.
Het bevoegde overheidsorgaan kan, ook in geval van gunning van een concessie op grond van artikel 63c, eerste en tweede lid, van de Wp2000, subsidie verstrekken aan het vervoerbedrijf voor het verzorgen van het openbaar vervoer. Artikel 22 van de Wp2000 geeft daarvoor de benodigde grondslag. Die subsidie mag echter niet worden gebruikt voor het verzorgen van openbaar vervoer in andere concessiegebieden en ook niet voor (andere) commerciële activiteiten. Andere bedrijven die dergelijke subsidies niet ontvangen, zouden daarvan immers nadeel in hun concurrentiepositie kunnen ondervinden. Daarom schrijven het eerste en het tweede lid van artikel 63c van de Wp2000 voor dat vervoerders in de gebieden die de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, ‘s-Gravenhage of Utrecht omvatten, een scheiding in hun boekhouding moeten aanbrengen en hanteren om kruissubsidiëring te voorkomen. Bovendien moet de accountant van dergelijke Vervoerders jaarlijks een controle uitvoeren en daarbij een verklaring opstellen. Uit de controle en de verklaring moet blijken dat er een boekhoudkundige scheiding is en dat deze correct is gehanteerd. Ook moet daaruit blijken dat is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van artikel 63c van de Wp2000 en aan de voorwaarden die zijn gesteld in onderdeel 5 van de bijlage bij Verordening (EG) 1370/2007.4Verordening (EG) 1370/2007: zie voetnoot 3, hiervóór. De Vervoerders dienen deze verklaring van de accountant voor eenieder ter inzage te leggen op alle kantoren van de Vervoerder.
Deze Beleidsregel is gebaseerd op artikel 63c, negende en tiende lid, van de Wp2000 en is van toepassing op vervoerders, bedoeld in artikel 63a van de Wp2000, aan wie een concessie is verleend op grond van het eerste of tweede lid van artikel 63a van de Wp2000. Het gaat dus om openbaar vervoerbedrijven in de gebieden die de gemeente Amsterdam, Rotterdam en ’s-Gravenhage omvatten en de voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat, waarover een openbaar lichaam een voldoende mate van zeggenschap kan uitoefenen en die een concessie voor het verrichten van openbaar vervoer vergund hebben verkregen zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden (hierna: ‘Vervoerder’ of ‘Vervoerders’). Met openbaar vervoer wordt hier verder steeds bedoeld: openbaar vervoer dat is vergund op grond van artikel 63c, eerste of tweede lid van de Wp2000, dus zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden. Voor de term ‘gunning zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden’, wordt hierna ook de term ‘inbesteed’ of ‘inbestede’ gebruikt.
Deze Beleidsregel heeft tot doel om de Vervoerders en hun accountants een leidraad te geven bij het opstellen van de verklaring, zoals bedoeld in artikel 63c, negende en tiende lid, van de Wp2000. Daartoe bevat deze Beleidsregel, in de hoofdstukken 2 en 3, een protocol dat de Vervoerders en hun accountant kunnen volgen bij het opstellen van die verklaring (hierna: het Protocol). Indien aan dat Protocol is voldaan, worden de Vervoerders geacht te hebben voldaan aan de vereisten die zijn gesteld in het negende en tiende lid van artikel 63c van de Wp2000. In de Bijlage bij deze Beleidsregel worden, met het oog op deze doelstelling, enkele begrippen uit de toepasselijke wet- en regelgeving nader uitgelegd.
Het Protocol is opgesteld naar analogie van de door de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants uitgegeven ‘Schrijfwijzer accountantsprotocollen’. De daarin opgenomen uitgangspunten zijn specifiek gemaakt voor de Vervoerder. Waar mogelijk, zijn tekstpassages uit de handreiking in het Protocol overgenomen. Bij de totstandkoming van het Protocol heeft afstemming plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de vervoerders en de accountants van de betreffende vervoerders.
De verklaring bedoeld in artikel 63c, negende en tiende lid, van de Wp2000, moet allereerst worden opgesteld door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
In artikel 63c, negende en tiende lid, van de Wp2000 wordt gesproken van een ‘verklaring’. Door de doelstelling die de Wp2000 op dit punt beoogt en de toepasselijke accountantsregelgeving, zijn hier twee mogelijkheden. De gevraagde verklaring komt tot uitdrukking in de controleverklaring bij de jaarrekening of de Vervoerder verstrekt een aparte opdracht aan de accountant voor het opstellen van de verklaring bedoeld in artikel 63c, negende en tiende lid, van de Wp2000. In dat laatste geval wordt niet gesproken van een ‘verklaring’ maar van een ‘assurance-rapport’.
Uit de controleverklaring of het assurance-rapport moet blijken dat de in de jaarrekening opgenomen financiële verhouding tussen, enerzijds, de inbestede concessie en, anderzijds, de overige activiteiten, aan een aantal onderliggende voorwaarden voldoet. In paragraaf 2.1 (‘Relevante wet- en regelgeving’) is dit wettelijk kader opgenomen.
De onderliggende voorwaarden hebben betrekking op de scheiding van de boekhouding of administratie en het gebruik van een kostprijsmodel. Dit leidt tot een bepaalde financiële verhouding, die zichtbaar wordt in de jaarrekening, omdat deze zelfde boekhouding of administratie de basis vormt voor de jaarrekening. Er worden geen aanvullende verantwoordingseisen aan die jaarrekening gesteld.
In dit protocol wordt, vanwege de leesbaarheid, de term ’boekhouding’ gebruikt. Dit sluit aan op artikel 63c, eerste lid, van de Wp2000. In het geval dat artikel 63c, tweede lid, van de Wp2000 van toepassing is, gaat het feitelijk om een gescheiden administratie binnen de boekhouding.
Deze Beleidsregel is van toepassing vanaf boekjaar 2017, op Vervoerders aan wie een concessie is verleend zoals bedoeld in artikel 63c, eerste of tweede lid, van de Wp2000 en voor zover die concessie is gegund na 1 januari 2013.
Op grond van artikel 63c, negende lid, van de Wp2000 legt de vervoerder de verklaring ter inzage op alle kantoren van de vervoerder gelijktijdig met de jaarrekening of het financieel overzicht (artikel 63c, zevende lid, van de Wp2000).
De verklaring wordt jaarlijks gevraagd over het voorafgaande boekjaar. De verklaring over dat boekjaar (en in geval van artikel 63c, zevende lid, van de Wp2000 samen met de jaarrekening over dat boekjaar of het financieel overzicht over dat boekjaar) moet uiterlijk 9 maanden na afronding van het boekjaar ter inzage liggen.
Op grond van artikel 87, vijfde lid, van de Wp2000 in verbinding met titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht verstrekt de Vervoerder een kopie van de verklaring (en in geval van artikel 63c, zevende lid, van de Wp2000 samen met de jaarrekening over dat boekjaar of het financieel overzicht over dat boekjaar) aan de ACM, door deze te verzenden. Verzending geschiedt op hetzelfde moment dat de verklaring ter inzage wordt gelegd op de kantoren van de Vervoerder. Het postadres voor toezending aan de ACM is:
Autoriteit Consument en Markt
Directie Telecom, Vervoer en Post
Postbus 16326
2500 BH Den Haag.
Artikel 1
Inleiding
Onderdeel van Accountantsprotocol vervoerders 2017· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 2 oktober 2018