De belastingplichtige dient zijn verzoek om toepassing van artikel 14c Wet Vpb in bij de voor de heffing van de vennootschapsbelasting bevoegde inspecteur onder overlegging van:
de naam van de vennootschap;
het RSIN van de vennootschap;
de namen, adressen en BSN-nummers van de voortzettende aandeelhouder(s);
de verklaring inzake het gewenste overgangstijdstip, met het bewijs van aangetekende verzending 5Zie over de vereiste aangetekende verzending en terugwerking paragraaf 4 als wordt verzocht om terugwerkende kracht;
een opgave van de voorwaarts te verrekenen verliezen op het gewenste overgangstijdstip;
een opgave van de op het gewenste overgangstijdstip nog niet in aanmerking genomen resultaten ingevolge voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting, die betrekking hebben op de onderneming die door de aandeelhouder(s) wordt voortgezet;
een overzicht van de vermogensbestanddelen en de fiscale reserves van de vennootschap die niet gaan behoren tot het vermogen waarmee de onderneming door de aandeelhouder(s) wordt voortgezet;
een overzicht van deelnemingen die gaan behoren tot het vermogen waarmee de onderneming door de aandeelhouder(s) wordt voortgezet; en
een opgave van op het overgangstijdstip bestaande rechten en plichten uit een zogenoemde optieovereenkomst tussen de vennootschap en de voortzettende aandeelhouder.
Het verzoek om toepassing van artikel 14c Wet Vpb kan uiterlijk worden ingediend totdat het achterwege laten daarvan voor in ieder geval één van de betrokken personen onherroepelijke fiscale gevolgen heeft gehad. In geval de aanslag van de vennootschap niet onherroepelijk en die van de voortzettende aandeelhouder wel onherroepelijk vaststaat, kan toch een verzoek worden ingediend mits bij de aandeelhouder een geruisloze terugkeer het uitgangspunt is geweest.
Ik verleen de inspecteurs een algemene toestemming om namens mij te beslissen op alle verzoeken om toepassing van artikel 14c, eerste lid, Wet Vpb, met uitzondering van de navolgende situaties.
De vennootschap betreft een rechtspersoon als bedoeld in artikel 14c, vierde lid, onderdeel c (niet in Nederland gevestigde naamloze of besloten vennootschap met vaste inrichting in Nederland) dan wel achtste lid, Wet Vpb (naar buitenlands recht opgerichte naamloze of besloten vennootschap).
De winst van de vennootschap wordt vastgesteld met toepassing van het zogenoemde tonnageregime.
Op het overgangstijdstip behoort tot het vermogen van de vennootschap een zogenoemde vaste inrichting.
Niet alle aandeelhouders zijn binnenlands belastingplichtig.
Tot het vermogen op het overgangstijdstip behoort een deelneming die gaat behoren tot het vermogen van de onderneming die wordt voortgezet.
Tot het vermogen van de onderneming op het overgangstijdstip behoren rechten of plichten uit zogenoemde optie-overeenkomsten, afgesloten tussen de vennootschap en een of meer van de voortzettende aandeelhouders.
Binnen drie jaren voorafgaand aan het overgangstijdstip heeft omzetting plaatsgevonden van een schuld van de vennootschap aan een aandeelhouder in een schuld aan een derde.
Tot het vermogen van de vennootschap op of na het overgangstijdstip behoort een kapitaalverzekering in de zin van artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, ten tweede, Wet IB 2001, terwijl in de vennootschap onvoldoende middelen aanwezig zijn om de verplichting over te dragen aan een andere verzekeraar.
De voortzettende aandeelhouder is schulden aangegaan ter financiering van de verwerving binnen drie jaar vóór het overgangstijdstip, van vermogensbestanddelen van de vennootschap die, na het overgangstijdstip, gaan behoren tot het vermogen van de voortgezette onderneming.
De inspecteur is van mening dat het verzoek:
slechts kan worden ingewilligd onder het stellen van één of meer andere voorwaarden dan opgenomen in dit besluit (hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarbij tot de overgedragen onderneming lidmaatschapsrechten of bewijzen van deelgerechtigdheid behoren);
moet worden afgewezen omdat vanwege een andere reden dan het besluit vermeldt niet is voldaan aan de in de wet gestelde vereisten of omdat de heffing of invordering door de voorwaarden onvoldoende zijn verzekerd.
In de gevallen waarin de inspecteur op grond van de algemene toestemming het verzoek om toepassing van artikel 14c, eerste lid, van de Wet Vpb zelf kan afdoen, neemt hij zijn beslissing door middel van een voor bezwaar vatbare beschikking, waarbij hij het volgende in acht neemt.
Als het verzoek wordt ingewilligd, richt de inspecteur de beschikking in conform bijlage 2.
Als het verzoek wordt afgewezen, richt de inspecteur de beschikking in conform bijlage 3.
Als de gevraagde terugwerkende kracht op grond van het gestelde in paragraaf 4 niet aanvaardbaar is, maar wel aan alle overige vereisten is voldaan, handelt de inspecteur als volgt. Hij willigt het verzoek in door te beschikken conform bijlage 2 en stelt daarbij het overgangstijdstip op de datum vanaf wanneer de overgedragen onderneming (daadwerkelijk) rechtstreeks voor rekening en risico van de voortzettende aandeelhouder(s) wordt uitgeoefend.
Voordat hij de beschikking afgeeft, stelt hij belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
Valt het verzoek niet onder de in paragraaf 5.3. van dit besluit aan de inspecteur verleende toestemming tot het afdoen van verzoeken, dan zendt de inspecteur het verzoek met zijn ambtsbericht, zo spoedig mogelijk door naar Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen, Cluster Vpb-IB winst, Postbus 20201, 2500 EE, Den Haag. Daar wordt het verzoek beoordeeld en een beschikking voorbereid. Vervolgens wordt de inspecteur, onder toezending van een conceptbeschikking, toegestaan op het verzoek te beslissen. De inspecteur handelt verder overeenkomstig hetgeen hierna is vermeld.
Wordt het verzoek ingewilligd, dan geeft de inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking af conform de toestemming en de daarbij opgenomen voorwaarden. De voorwaarden worden als bijlage met de beschikking meegezonden.
Is het verzoek niet voor inwilliging vatbaar, dan wijst de inspecteur het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking af, onder vermelding van de motivering.
Bezwaarschriften tegen één of meer in de beschikking opgenomen voorwaarden dienen door de bevoegde inspecteur voordat hij uitspraak doet, voor advies te worden voorgelegd aan Belastingdienst/Directie Vaktechniek, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
Artikel 5
Indiening en behandeling verzoek geruisloze terugkeer
Onderdeel van Vennootschapsbelasting; art. 14c; geruisloze terugkeer· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 10 november 2018