Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Taak directeur en plaatsvervangend directeur

Onderdeel van Bestuursreglement Politieacademie· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 6 december 2018

1. De directeur van de Politieacademie is belast met de leiding en het beheer van de Politieacademie. Hij vertegenwoordigt de Politieacademie in en buiten rechte. 2. De directeur van de Politieacademie hanteert de maatschappelijke opdracht van de Politieacademie als uitgangspunt voor het beleid ten aanzien van de uitvoering van de taken van de Politieacademie. De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende verantwoordelijkheden ten aanzien van de Politieacademie: hij is belast met de leiding van de Politieacademie; hij vertegenwoordigt de Politieacademie in en buiten rechte; op hem rusten de verplichtingen die wet- en regelgeving opleggen aan de Politieacademie; hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Politieacademie; hij is verantwoordelijk voor de organisatie en de instandhouding van de Politieacademie; hij ziet toe op het functioneren van de sectorhoofden en teamchefs en bevordert de synergie tussen de sectoren en de teams; hij voert het overleg met de Ondernemingsraad van de Politieacademie. 1. De Politieacademie heeft een directeur en een plaatsvervangend directeur. Zij worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit. 2. De plaatsvervangend directeur beschikt niet over eigen bevoegdheden; hij of zij oefent de bevoegdheden namens de directeur uit en stelt daarvan de directeur op de hoogte. 3. De directeur en zijn plaatsvervanger komen een onderlinge taak- en portefeuilleverdeling overeen, onverminderd de verantwoordelijkheid van de directeur. Zij streven naar onderlinge consensus bij de uitoefening van hun taken; als consensus ontbreekt, beslist de directeur. 4. Als de functie van directeur vacant is, dan treedt de plaatsvervangend directeur tijdelijk in diens plaats in afwachting van de benoeming van een nieuwe directeur. 5. De directeur en plaatsvervangend directeur houden minimaal twee keer per maand directie-overleg en de directeur neemt ter vergadering de benodigde besluiten. Besluiten die buiten vergadering zijn genomen, worden in de eerstvolgende vergadering bekrachtigd. 6. De directie-overleggen worden aan de hand van een vooraf opgestelde agenda door de directeur geleid. 1. De directeur en de plaatsvervangend directeur maken het voornemen tot het aanvaarden van nevenfuncties anders dan uit hoofde van hun functie schriftelijk bekend aan de Minister van Justitie en Veiligheid. 2. De directeur en plaatsvervangend directeur vervullen geen nevenfuncties die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van hun functie of de handhaving van hun onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin. Zij vermijden te allen tijde de schijn van belangenverstrengeling bij de uitoefening van hun functie. 3. Nevenfuncties anders dan uit hoofde van hun functie worden openbaar gemaakt. Openbaarmaking geschiedt door het ter inzage leggen van een opgave van deze nevenfuncties bij de Politieacademie en bij de Minister. 1. De Politieacademie heeft een Raad van Advies. 2. De Raad van Advies van de Politieacademie adviseert de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger desgevraagd of uit eigen beweging over de taakuitvoering door de Politieacademie, in de zin van de Politiewet 2012. Daarnaast fungeert de Raad van Advies als klankbord voor de directeur en de plaatsvervangend directeur van de Politieacademie. 3. De Raad van Advies stelt een reglement vast over zijn werkwijze, dat aangeeft hoe de advisering van de Raad van Advies plaatsvindt en de wijze van afstemming met de directeur en zijn plaatsvervanger. 4. De directeur neemt bij zijn adviesvragen aan de Raad van Advies het reglement van de Raad van Advies in acht. De directeur van de Politieacademie verstrekt de Raad van Advies Politieacademie desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die deze voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. De directeur en zijn plaatsvervanger zijn aanwezig bij de vergaderingen van de Raad van Advies. 5. De directeur besteedt in het jaarverslag van de Politieacademie aandacht aan de adviezen van de Raad van Advies en aan de wijze waarop hij is omgegaan met deze adviezen. De directeur, de Korpschef en de Minister van Justitie en Veiligheid voeren ten minste viermaal per jaar overleg onder meer over: het pakket van Politieonderwijs en de ontwikkelingen daarbinnen; de ontwikkelingen binnen de Politie en de rol van onderwijs en onderzoek daarbij; de kwaliteit van uitvoering van het Politieonderwijs; de uitvoering van de Strategische Onderzoeksagenda; de meerjarige en jaarlijkse onderwijsbehoefte van het Korps en van derden-afnemers; de daarop gebaseerde behoefte aan mensen en middelen van de Politieacademie. De directeur onderhoudt het contact en voert periodiek overleg met: de Korpsleiding; de regionale Politiechefs, ook in hun hoedanigheid van landelijke portefeuillehouders; de directeuren van de landelijke Korpsstaven; onder meer over: de kwalitatieve en kwantitatieve opleidingsbehoefte van het Korps; de behoefte van de Politieacademie aan de mensen en middelen die de Korpsleiding aan de Politieacademie dient te verschaffen om haar in staat te stellen om haar taken uit te voeren; en in de opleidingsbehoefte van het Korps te voorzien; de samenwerking met de Politie bij het werkend leren; het onderlinge samenspel tussen Korps en de Politieacademie. De directeur en zijn plaatsvervanger voeren de overleggen in dit verband in de regel gezamenlijk. De directeur en zijn plaatsvervanger hebben beiden als lid zitting in de Politieonderwijsraad. 1. De directeur verleent de Inspectie Justitie en Veiligheid de door haar verlangde ondersteuning bij de uitoefening van haar toezicht op de kwaliteit van het Politieonderwijs en de examinering. 2. De directeur onderhoudt het contact met het Hoofd van de Inspectie Justitie en Veiligheid en voert het periodiek overleg, zoals voortvloeiend uit het geldende toezichtskader van genoemde Inspectie. De directeur onderhoudt namens de Politieacademie de strategische samenwerkingsrelaties ten behoeve van gezamenlijke onderwijs- en kennisontwikkeling en -uitvoering, met name met: andere onderwijs- en kennisinstellingen in het veiligheidsdomein; reguliere onderwijsinstellingen (ROC’s, Hogescholen en Universiteiten) en hun landelijke koepelorganisaties; buitenlandse collega instellingen voor Politieonderwijs en -onderzoek. Hij gaat waar nodig samenwerkingsovereenkomsten met deze instellingen aan. De directeur van de Politieacademie neemt bij het aangaan van samenwerkingsovereenkomsten de daartoe in de Kaderwet ZBO’s en de Politiewet 2012 gestelde voorwaarden in acht. De directeur is verantwoordelijk voor de relatie met alle extern belanghebbenden van de Politieacademie en neemt besluiten met inachtneming van de effecten voor externe belanghebbenden.

Rechtspraak bij dit artikel