Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Bevoegdheden directeur

Onderdeel van Bestuursreglement Politieacademie· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 6 december 2018

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende algemene bevoegdheden ten aanzien van de Politieacademie: hij stelt het bestuursreglement van de Politieacademie vast; hij stelt het inrichtingsplan van de Politieacademie vast met daarin onder meer de organisatiestructuur en formatie van de organisatie-eenheden van de Politieacademie; hij stelt ten minste éénmaal in de vier jaar een meerjarig beleidsplan voor de Politieacademie vast; hij stelt jaarlijks vóór 1 juni het jaarplan vast, waarin het meerjarig beleid is geconcretiseerd; hij stelt jaarlijks vóór 15 maart het jaarverslag en van de Politieacademie vast, waarin hij verantwoording aflegt over de uitvoering van de taken van de Politieacademie en de daarbij behaalde resultaten en tevens verantwoording aflegt over de inzet van de aan de Politieacademie ter beschikking gestelde sterkte en middelen; hij stelt jaarlijks vóór 1 april de begroting van de Politieacademie vast en legt die aan de Minister ter goedkeuring voor; hij legt drie tot vier keer per jaar door middel van managementrapportages verantwoording af aan de Minister over de taakuitvoering, over de uitvoering van het jaarplan en over de omvang en inzet van de sterkte en middelen die feitelijk ter beschikking zijn gesteld. De directeur geeft relevante belanghebbenden inzicht in de realisatie van het beleid van de Politieacademie en de behaalde resultaten bij de taakuitvoering door de Politieacademie. De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende bevoegdheden ten aanzien van het Politieonderwijs: hij stelt jaarlijks het onderwijsassortiment van de Politieacademie vast; hij zorgt voor de aanleg, het beheer en de bekendmaking van een register Politieopleidingen, waarin de relatie met de kwalificatiestructuur en de onderliggende kwalificatiedossiers van de Politieopleidingen zijn opgenomen; hij stelt de studieduur van de politieopleidingen vast met inachtneming van de eisen in de Politiewet 2012 ten aanzien van het opleidingsniveau; hij zorgt ervoor dat de politieopleidingen zodanig zijn ingericht dat de studenten de kwalificaties binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken en dat het onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld; hij stelt jaarlijks een Onderwijs- en Examenregeling vast, per opleiding of groep van opleidingen, en maakt die bekend; hij stelt de vormgeving van de systematische kwaliteitszorg van het Politieonderwijs vast, onder meer door vaststelling en bijstelling van het kwaliteitsdossier Politieacademie; hij stelt de kwaliteitseisen voor het Politieonderwijs vast; hij ziet toe op de naleving van de kwaliteitseisen die gelden voor de leerwerkplekken van studenten en voor de begeleiding van studenten, in overleg met de Korpschef; hij zorgt voor een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het Politieonderwijs mede door onafhankelijke deskundigen of instellingen. Hij betrekt daarbij het Korps en de studenten. De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende bevoegdheden ten aanzien van de examens van het Politieonderwijs: hij geeft de studenten gelegenheid een examen af te leggen; hij stelt de examencommissie(s) in en benoemt haar leden; de examencommissie reikt een diploma, deeldiploma of certificaat uit, als bewijs dat een examen met goed gevolg is afgelegd, nadat de directeur van de Politieacademie heeft verklaard dat aan de procedurele eisen voor uitreiking is voldaan; hij stelt een commissie van beroep voor de examens in en benoemt haar leden; hij stelt jaarlijks een Onderwijs- en Examenregeling vast, per opleiding of groep van opleidingen, en maakt die bekend. 1. De directeur stelt jaarlijks het onderzoeksprogramma van de Politieacademie vast, op basis van de door de Minister vastgestelde Strategische Onderzoeksagenda. 2. De directeur stelt de vormgeving van de systematische kwaliteitszorg van het onderzoek vast. De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende bevoegdheden ten aanzien van het personeel: hij heeft het gezag over de medewerkers die de Korpschef aan de Politieacademie ter beschikking heeft gesteld voor de uitvoering van de Politieacademie taken en stuurt deze functioneel aan. De medewerkers leggen over hun werkzaamheden uitsluitend aan hem verantwoording af. Dit geldt zowel voor de personen die zijn aangesteld bij het korps als voor de personen die door het korps worden ingehuurd ten behoeve van de Politieacademie; hij heeft het recht van aanbeveling en instemming bij de selectie en aanstelling van medewerkers en het recht van instemming bij de beëindiging van het feitelijk ter beschikking stellen van medewerkers die werkzaam zijn ten behoeve van de uitvoering van taken van de Politieacademie en binnen de staf van de Politieacademie; hij stelt vast aan welke kwaliteitseisen deze medewerkers moeten voldoen; hij zorgt ervoor voor dat de medewerkers die werkzaam zijn ten behoeve van de uitvoering van de taken van de Politieacademie en binnen de staf van de Politieacademie de gelegenheid krijgen de rechten en verplichtingen na te komen die verbonden zijn aan hun aanstelling als ambtenaar van Politie; hij zorgt voor de behandeling van klachten over gedragingen van medewerkers die werkzaam zijn ten behoeve van de uitvoering van taken van de Politieacademie en binnen de staf van de Politieacademie. De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende bevoegdheden ten aanzien van de ondersteunende middelen en diensten die de Korpschef aan de Politieacademie ter beschikking stelt voor de uitvoering van haar taken: hij verstrekt jaarlijks vóór 1 april aan de Minister, in afschrift aan de Korpschef, een opgave van sterkte en middelen die de Politieacademie nodig heeft om te voorzien in de totale meerjarige behoefte aan onderwijs, kennis en onderzoek van het Korps; hij inventariseert jaarlijks de onderwijsbehoefte van de Koninklijke Marechaussee en de Rijksrecherche en van andere door de Minister aangewezen organisaties die een publiekrechtelijke taak uitoefenen op het terrein van politie, justitie en veiligheid, alsmede van het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN) en doet opgave van sterkte en middelen die de Politieacademie nodig heeft om te voorzien in die behoefte; hij geeft jaarlijks aan welke specifieke eisen op het gebied van bedrijfsvoering er zijn, die voortvloeien uit de taken van de Politieacademie en die daaraan ten dienste staan; hij heeft het recht van instemming bij de selectie van de middelen voor de uitvoering van de taken van de Politieacademie en bij de beëindiging van de ter beschikkingstelling daarvan.

Rechtspraak bij dit artikel