Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Vergoeding raadsleden kleine gemeenten

Onderdeel van Circulaire 2019 (onkosten)vergoeding voor politieke ambtsdragers van gemeenten, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2019

In een brief van 5 november 2018 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Tweede Kamer geïnformeerd over de verhoging van de raadsvergoeding in gemeenten tot 24.000 inwoners.2Kamerstukken II 2018/19, 35 000-VII, nr. 37. In plaats van de vergoeding in 2018 van € 250,82 (0–8.000 inwoners), € 396,33 (8.001–14.000 inwoners) en € 617,77 (14.001–24.000 inwoners) ontvangen raadsleden in alle gemeenten kleiner dan 24.000 inwoners een vergoeding die gelijk is aan de vergoeding die hoort bij de inwonersklasse 24.001 – 40.000 inwoners. Deze vergoeding bedraagt in 2018 € 958,91 per maand. De verhoging gaat gelden met terugwerkende kracht, vanaf het moment waarop zij zijn aangetreden als raadslid op 29 maart 2018. Voor gemeenten kleiner dan 24.000 inwoners die betrokken zijn bij een herindeling per 1 januari 2019 – waardoor er geen verkiezingen op 21 maart 2018 hebben plaatsgevonden – wordt de raadsvergoeding ook met ingang 29 maart 2018 op gelijke wijze aangepast. Deze afspraak moet nog worden geformaliseerd door middel van een wijzigingsbesluit. Vooruitlopend op dit besluit kunt u de verhoging voor de raadsvergoeding al doorvoeren. De verhoging van de raadsvergoeding in 2018 vindt zijn uitwerking door degenen die voor 1 januari 2019 raadslid waren in een gemeente met een inwonertal van minder dan 24.000 inwoners, een eenmalige aanvulling te verstrekken op de vergoeding voor de werkzaamheden. De berekening van de hoogte van de aanvulling wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen € 958,91 verminderd met de al uitbetaalde raadsvergoeding vermenigvuldigd met de periode waarin het betrokken raadslid tussen 28 maart en 31 december 2018 raadslid was (uitgedrukt in maanden, afgerond in decimalen). Ter verduidelijking wordt hier een rekenvoorbeeld gegeven voor het bepalen van de hoogte van de eenmalige aanvulling: Betrokkene is vanaf 28 maart tot en met 31 december 2018 raadslid in een gemeente met 9.000 inwoners (inwonersklasse 2). De periode van 28 maart tot en met 31 december 2018 bedraagt 9 maanden en 4 dagen, dus (afgerond) 9,1 maand. Betrokkene heeft recht op de raadsvergoeding van € 58,91 per maand. Op grond van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden had hij in die periode per maand aanspraak op een vergoeding voor de werkzaamheden van € 396,33 per maand. Het verschil bedraagt (€ 958,91 – € 396,33=) € 562,58. De eenmalige aanvulling voor 2018 bedraagt dan € 562,58 vermenigvuldigd met 9,1 = € 5.119,48. Met ingang van 1 januari 2019 zal de vergoeding voor alle raadsleden in gemeenten van 0 tot 40.000 inwoners, net als bij de overige raadsvergoedingen, worden geïndexeerd en verhoogd naar € 990,55 per maand.

Rechtspraak bij dit artikel