Naar hoofdinhoud

Artikel 12

Vergoeding raadsleden

Onderdeel van Circulaire 2019 (onkosten)vergoeding voor politieke ambtsdragers van gemeenten, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2019

In artikel 2, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is bepaald dat de vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid inclusief bijzondere beloningen geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar. In artikel 3.1.1, eerste lid juncto vierde lid, van het nieuwe rechtspositiebesluit is bepaald dat de vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid inclusief bijzondere beloningen geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Zoals beschreven in paragraaf 1, wordt in 2019 voor de laatste keer de oude systematiek gehanteerd. In de circulaire van 1 november 2017, nr. 2017-0000518206 is gemeld dat het indexcijfer CAO lonen overheid inclusief bijzondere beloningen geldend voor de maand september 2017 was bepaald op 108,5 en dat dit indexcijfer voor het jaar 2016 was bepaald op 108,6. Dit betekende in principe een geringe procentuele verlaging van 0,09% per 1 januari 2018. Deze verlaging is echter niet doorberekend in de raadsvergoeding voor 2018. De bedragen voor de vergoeding voor de werkzaamheden van de raadsleden voor het jaar 2018 zijn hiermee op hetzelfde niveau gebleven als de bedragen voor 2017. Met deze verlaging moet echter nu wel rekening worden gehouden bij de berekening van de bedragen over 2019. Het indexcijfer CAO lonen overheid voor 2018 is bepaald op 112,1. Voor 2017 was dit indexcijfer 108,5. Procentueel is dat een verhoging van 3,3. De volgende berekeningswijze is thans gehanteerd. De verlaging van 0,09% die per 1 januari 2018 niet is doorgevoerd, is nu bij de berekening van de bedragen over 2019 alsnog meegenomen. Dit is gebeurd door de bedragen van 2018 eerst te verlagen en voor de berekening van de bedragen voor 2019 op die verlaagde bedragen de verhoging van 3,3% toe te passen. Concreet betekent voorgaande dat de bedragen voor de vergoeding van de werkzaamheden van raadsleden per maand genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit (artikel 3.1.1, eerste lid, van het nieuwe rechtspositiebesluit) per 1 januari 2019 bedragen: Klasse Inwonertal Vergoeding werkzaamheden per maand per 1 januari 2018 Vergoeding werkzaamheden per maand per 28 maart 2018 Vergoeding werkzaamheden per maand per 1 januari 2019 1 Tot en met 8.000 € 250,82 € 958,91 € 990,55 2 8.001–14.000 € 396,33 € 958,91 € 990,55 3 14.001–24.000 € 617,77 € 958,91 € 990,55 4 24.001–40.000 € 958,91 € 958,91 € 990,55 5 40.001–60.000 € 1.248,42 € 1.248,42 € 1.288,33 6 60.001–100.000 € 1.460,84 € 1.460,84 € 1.507,54 7 100.001–150.000 € 1.658,52 € 1.658,52 € 1.711,54 8 150.001–375.000 € 1.932,14 € 1.932,14 € 1.993,90 9 375.001– € 2.352,29 € 2.352,29 € 2.427,48

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel