Met het Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland voor het beoordelen van de kwaliteit van hogeronderwijsopleidingen en -instellingen heeft het Nederlandse kwaliteitszorgstelsel een volgende fase bereikt. Het nieuwe kader brengt een belangrijke optimalisatie tot stand, passend bij het huidige tijdsbeeld. Tevens komt het kader tegemoet aan een kwaliteitszorgstelsel dat is gebaseerd op vertrouwen in de bestaande, hoge kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs.
Het stelsel beoogt, binnen het geldende wettelijke raamwerk van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), het eigenaarschap van docenten en studenten over de opleidingen te bevestigen en de administratieve lasten rond accreditatie bij de opleidingen en instellingen te verminderen. Tegelijkertijd dient het stelsel voldoende robuust te zijn om de kwaliteit van opleidingen en instellingen te waarborgen, verbetering te kunnen afdwingen en de geboden kwaliteit zichtbaar te maken voor studenten, werkgevers en de samenleving.
De vorige twee Nederlandse accreditatiestelsels traden in 2002 en in 2011 in werking. Nu, met de start van de derde fase van het accreditatiestelsel in 2017 begint tegelijk de tweede ronde van de instellingstoets kwaliteitszorg (ITK). De eerste ronde van ITK’s heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van een kwaliteitszorgsysteem op instellingsniveau en een kwaliteitscultuur op het gebied van onderwijs. In de tweede ronde wordt beoordeeld in hoeverre het genoemde kwaliteitszorgsysteem en de daarbij horende werkwijzen robuust zijn en of binnen de instellingen een duurzame kwaliteitscultuur tot stand is gekomen. Een positief oordeel over alle standaarden bevestigt dan het vertrouwen in de instelling.
Daarmee vormt de tweede ronde ITK’s een belangrijke bouwsteen voor een stelsel dat is gebaseerd op vertrouwen. Het kader voor de ITK is in dit licht herzien waardoor het ruimte biedt voor verdere ontwikkeling van een stelsel met vertrouwen als uitgangspunt.
Voor de beoordeling van opleidingen bevat het nieuwe kader één set standaarden voor nieuwe en bestaande opleidingen, wetenschappelijke en hoger beroepsopleidingen op associate-degree-, bachelor- en masterniveau. Ook zijn de in het kader opgenomen beslisregels en andere aanwijzingen en richtlijnen ingeperkt en vereenvoudigd. Dit weerspiegelt het uitgangspunt dat maatwerk en eigen invulling door de opleidingen en instellingen bepalen op welke wijze de visitaties worden ingericht binnen de ruimte die het kader daarvoor biedt.
De open opzet en uitwerking maken het kwaliteitszorgstelsel flexibeler en leiden tot minder administratieve lasten. Het kader gaat uit van vertrouwen én van zelfvertrouwen. Bestaande documenten kunnen volstaan om de kwaliteit, kennis en kunde aan te tonen van hen die het onderwijs vormgeven. Van instellingen en opleidingen wordt dan ook niet meer gevraagd dan in dit kader is beschreven.
Het beoordelingskader sluit aan bij de criteria die zijn opgenomen in de WHW en de Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area (European Standards and Guidelines – ESG) en schetst de criteria op basis waarvan de kwaliteitsborging in het Nederlandse hoger onderwijs is vormgegeven.
Het kader blijft onverminderd uitgaan van ‘peer review’ als de beste methode om de kwaliteit vast te stellen. De beoordelingen worden uitgevoerd vanuit een werkwijze en houding die past bij collegiale toetsing. Het panel van onafhankelijke en gezaghebbende experts gaat een open dialoog aan over de kwaliteit met de instelling. Aan de hand van het zelfevaluatierapport wordt het panel deelgenoot van de reflectieve cyclus die de instelling doorloopt om kwaliteit te waarborgen en telkens te verbeteren: van visie en doelstelling naar uitvoering, van evaluatie en resultaten naar verbetering en ontwikkeling.
Het kader vraagt nadrukkelijk aandacht voor kwaliteitscultuur en de verankering daarvan, altijd in samenhang met instrumenten om kwaliteit te verzekeren.
Het kader is gebaseerd op respect voor de autonomie van de instellingen die primair verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit. De visie en doelstellingen van de instelling of de opleiding zijn het startpunt van de beoordeling en worden niet inhoudelijk beoordeeld. Uitgangspunt is dat studenten en docenten het onderwijs en de opleiding vormgeven, en daarvoor gezamenlijk als ‘eigenaren’ een belangrijke verantwoordelijkheid dragen. Maar ook de samenleving als geheel is eigenaar van en belanghebbende bij het onderwijs; goed en toegankelijk hoger onderwijs is van groot belang is voor een duurzame en evenwichtige ontwikkeling van de hedendaagse samenleving, zowel in economische als sociaal-maatschappelijke zin.
Het Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland is tot stand gekomen na overleg met de koepelorganisaties voor bekostigde en particuliere universiteiten en hogescholen, evaluatiebureaus, studentenorganisaties, werkgeversorganisaties en vakbonden, en met inbreng van vele betrokkenen uit het veld.
In de volgende hoofdstukken wordt het kader weergegeven, onderscheiden naar hoofdstuk 1 over de instellingstoets kwaliteitszorg en hoofdstuk 2 over de opleidingsbeoordeling, zowel voor bestaande als voor nieuwe opleidingen. Hoofdstuk 3 beschrijft de werkwijze voor de overige beoordelingen. Hoofdstuk 4 gaat in op de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Hoofdstuk 5 betreft de publicatie van het kader.
Het Accreditatiekader bestaande opleidingen hoger onderwijs (Stcrt. 2003, 120), het Toetsingskader nieuwe opleidingen hoger onderwijs (Stcrt. 2003, 120), de Beoordelingskaders accreditatiestelsel hoger onderwijs (Stcrt. 2010, 2152316) en de Beoordelingskaders accreditatiestelsel hoger onderwijs (Stcrt. 2014, 367913) worden ingetrokken.
Het voorliggende beoordelingskader is goedgekeurd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij brief van 16 november 2016, kenmerk 1095509.
De voorzitter van de Nederlands Vlaamse Accreditatieorganisatie,
A.H. Flierman.
Artikel 1
Inleiding
Onderdeel van Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 20 december 2016