Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Opleidingsbeoordeling

Onderdeel van Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland· Onderwijsrecht

Deze tekst geldt sinds 20 december 2016

Het kader voor de opleidingsbeoordeling heeft betrekking op opleidingen in het wetenschappelijke onderwijs (wo), opleidingen in het hoger beroepsonderwijs (hbo) op bachelor- en masterniveau en associate-degreeprogramma’s (Ad-programma’s)’. Bij de opleidingsbeoordeling onderscheidt de WHW de beoordeling van een bestaande opleiding (accreditatie) en de toets nieuwe opleiding(TNO). Het beperkte kader wordt gevolgd wanneer de instelling beschikt over een positief of een voorwaardelijk positief besluit instellingstoets kwaliteitszorg. Het uitgebreide kader geldt in de overige gevallen. Bij het beoordelen van bestaande opleidingen staat de gerealiseerde kwaliteit centraal. De opleiding toont aan dat de onderwijspraktijk aan de standaarden voldoet. De beoordeling richt zich op de beoogde leerresultaten, de inrichting van het curriculum, de leeromgeving, de toetsing, het docententeam en de gerealiseerde leerresultaten. De toets nieuwe opleiding is een planbeoordeling. Deze beoordeling richt zich op plannen, randvoorwaarden en de gerealiseerde kwaliteit voor zover van toepassing. De plannen zijn voldoende uitgewerkt om het panel een helder beeld te geven van de beoogde leerresultaten, de inrichting van het curriculum, de leeromgeving, de toetsing en het docententeam dat de opleiding zal gaan verzorgen. Voor het eerste jaar (60 EC) is de opzet van het curriculum in detail beschreven. Verder spreekt het panel met het ontwikkelteam en/of de beoogde docenten over de invulling van de resterende programmaonderdelen en de realisatie en toetsing van de beoogde leerresultaten. Uitzondering planbeoordeling bij TNO Wanneer de opleiding feitelijk al wordt verzorgd, wordt ook bij de TNO het gerealiseerd niveau beoordeeld aan de hand van tussentijdse toetsen en indien beschikbaar eindwerkstukken. Om formele redenen (eerste registratie in het CROHO) wordt dan een TNO toegepast. Zie ook: Toelichting TNO uitgebreide beoordeling gerealiseerde leerresultaten na drie jaar. Bij toepassing van het beperkte kader wordt het panel gevraagd om overlap met de instellingstoets kwaliteitszorg te voorkomen. In het beperkte kader ligt het accent op de inhoudelijke kwaliteit van de opleiding, inclusief de daarvoor benodigde leeromgeving en het docententeam. Buiten beschouwing blijven: instellingsbrede aspecten van kwaliteitszorg en kwaliteitscultuur, het instellingsbeleid ten aanzien van personeelsbeleid en voorzieningen en aansluiting bij de strategie van de instelling. Deze zijn immers tijdens de instellingstoets kwaliteitszorg beoordeeld. Het uitgebreide kader stelt juist wel de inpassing van de opleiding in het instellingsbeleid, voorzieningen, kwaliteitszorg en kwaliteitscultuur aan de orde. Standaard 1: De beoogde leerresultaten passen bij het niveau en de oriëntatie van de opleiding en zijn afgestemd op de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen. De beoogde leerresultaten beschrijven aantoonbaar het niveau (associate degree, bachelor of master) zoals gedefinieerd in het Nederlands kwalificatieraamwerk en de oriëntatie (hbo of wo) van de opleiding. Ze sluiten bovendien aan bij de actuele eisen die vanuit het regionale, het nationale en het internationale perspectief door het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van de opleiding. Voor zover van toepassing zijn de beoogde leerresultaten tevens in overeenstemming met relevante wet- en regelgeving. Standaard 2: Het programma, de onderwijsleeromgeving en de kwaliteit van het docententeam maken het voor de instromende studenten mogelijk de beoogde leerresultaten te realiseren. De beoogde leerresultaten zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. Hierbij wordt rekening gehouden met de diversiteit van de toegelaten studenten. De docenten zijn zowel inhoudelijk als didactisch voldoende deskundig om de opleiding te verzorgen en geven begeleiding. De onderwijsleeromgeving bevordert dat studenten op actieve wijze deelnemen aan de vormgeving van het eigen leerproces (student-centred). Opleidingsspecifieke voorzieningen worden beoordeeld, tenzij het gaat om instellingsbrede voorzieningen waarover bij de ITK al is gerapporteerd. Standaard 3: De opleiding beschikt over een adequaat systeem van toetsing. De beoordeling is valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk. De eisen zijn helder voor de studenten. De kwaliteit van de tentaminering en examinering wordt voldoende gewaarborgd en voldoet aan de wettelijke deugdelijkheidsvereisten. De toetsen ondersteunen het eigen leerproces van de student. Standaard 4: De opleiding toont aan dat de beoogde leerresultaten zijn gerealiseerd. (zie ook bij TNO: Uitzondering planbeoordeling bij toets nieuwe opleiding) Het realiseren van de beoogde leerresultaten blijkt uit de uitkomsten van toetsen, de eindwerken en de wijze waarop afgestudeerden in de praktijk of in een vervolgopleiding functioneren. De opleiding beschrijft hoe zij de realisatie van het niveau toetst. Dat kan aan de hand van diverse producten of proeven die hier worden samengenomen onder het begrip eindwerk. Een niet limitatieve opsomming van eindwerken is: de eindscriptie, een portfolio, een beroepsproduct, een (reeks van) tentamen(s), een artikel of een artistieke prestatie of een combinatie hiervan. Het panel beoordeelt ten minste 15 eindwerken van de opleiding. Selectie vindt plaats op basis van een lijst met studentnummers met daarbij de informatie die nodig is om een adequate selectie te maken. De selectie kent een redelijke verdeling over voldoende, goede en zeer goede eindwerken. Tevens zijn varianten, locaties, specialisaties, afstudeertrajecten en programma’s, zodanig in de selectie vertegenwoordigd dat mogelijke kwaliteitsverschillen daartussen kunnen worden vastgesteld. Hierdoor kan het nodig zijn het aantal eindwerken dat wordt beoordeeld op te hogen. De opleiding stelt het panel in de gelegenheid om zich voorafgaand1In bijzondere gevallen kan het panel de eindwerken ook tijdens het locatiebezoek bestuderen (bijvoorbeeld in het geval van uitvoerende kunsten). aan het locatiebezoek een oordeel te vormen over deze eindwerken en de beoordeling daarvan door de opleiding. Tijdens het locatiebezoek spreekt het panel met beoordelaars/examinatoren van de opleiding om een goed inzicht te krijgen in de wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen en de realisatie van het niveau wordt bewaakt. Het panel, en in het verlengde de NVAO, spreekt zich uit over opname van de opleiding in een CROHO-onderdeel 2Het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) kent de onderwijsonderdelen: Onderwijs, Landbouw en natuurlijke omgeving, Natuur, Techniek, Gezondheidszorg, Economie, Recht, Gedrag en maatschappij, Taal en cultuur en Sectoroverstijgend.; In het geval van een hbo- opleiding spreekt het panel, en in het verlengde de NVAO, zich uit over een passende toevoeging aan de graad van de opleiding. Het panel neemt in zijn advisering de volgende beslisregels in acht: Bestaande opleiding: Toets nieuwe opleiding: Oordeel per standaard: Het panel voorziet elke standaard van een oordeel op de schaal: ‘onvoldoende’, ‘voldoende’, ‘goed’ of ‘excellent’ (zie: definitie oordelen). ‘voldoet niet´, ‘voldoet ten dele´ of ´voldoet´ (zie: definitie oordelen). Beslisregels totaaloordeel opleiding: Excellent: ‘excellent’ op ten minste twee standaarden, waaronder in elk geval standaard 4 en verder ten minste ‘voldoende’ (zie toelichting Excellent). Goed: minimaal ‘goed’ op ten minste twee standaarden, waaronder in elk geval standaard 4 en verder ten minste ‘voldoende’. Voldoende: minimaal ‘voldoende’ op ten minste twee standaarden waaronder in elk geval standaard 1 en herstel van de tekortkoming(en) bij de ‘onvoldoende’ standaarden is realistisch en haalbaar binnen twee jaar (zie ‘herstel’). Onvoldoende: i) standaard 1 is ‘onvoldoende’ of ii) een of twee standaarden ‘onvoldoende’ en herstel binnen twee jaar is niet realistisch en haalbaar iii) drie of meer standaarden ‘onvoldoende’. Positief: op alle standaarden ‘voldoet’. Positief onder voorwaarden: maximaal op twee standaarden een ‘voldoet ten dele’ waarbij voorwaarden zijn opgelegd. Negatief: ‘voldoet niet’ op een of meer standaarden en eveneens bij drie of meer ‘voldoet ten dele’. Herstel Voorwaarden Wanneer het eindoordeel ‘voldoende’ is en een of twee standaarden worden ‘onvoldoende’ beoordeeld, maar herstel van de tekortkoming(en) binnen maximaal twee jaar realistisch en haalbaar is, kan het panel adviseren om een herstelperiode op te leggen. De NVAO besluit over het opleggen van een herstelperiode. Wanneer het opleggen van een herstelperiode niet realistisch en haalbaar is, is het eindoordeel ‘onvoldoende’. Het panel adviseert concreet over de tekortkomingen die moeten worden weggenomen om te voldoen aan de voorwaarden. Wanneer het panel komt tot het advies ‘Positief onder voorwaarden’ adviseert het panel tevens (een) voorwaarde(n). Het panel adviseert alleen tot het stellen van voorwaarden wanneer realisatie binnen een termijn van maximaal twee jaar realistisch en haalbaar is. De NVAO besluit over het stellen van voorwaarden. Wanneer het stellen van voorwaarden niet realistisch en haalbaar is, is het eindoordeel ‘negatief’. Het panel adviseert concreet over de voorwaarden die vervuld moeten worden om te voldoen aan de standaarden. Standaard 1: De beoogde leerresultaten passen bij het niveau en de oriëntatie van de opleiding en zijn afgestemd op de verwachtingen van het beroepenveld, het vakgebied en op internationale eisen. De beoogde leerresultaten beschrijven aantoonbaar het niveau (associate degree, bachelor of master) zoals gedefinieerd in het Nederlands kwalificatieraamwerk en de oriëntatie (hbo of wo) van de opleiding. Ze sluiten bovendien aan bij de actuele eisen die vanuit het regionale, het nationale en het internationale perspectief door het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van de opleiding. Voor zover van toepassing zijn de beoogde leerresultaten tevens in overeenstemming met relevante wet- en regelgeving. De uitgangspunten voor de inrichting van de opleiding passen bij de onderwijsvisie en het profiel van de instelling. De beoogde leerresultaten worden periodiek geëvalueerd. Standaard 2: Het programma maakt het mogelijk om passende (professionele of academische) onderzoeks- en beroepsvaardigheden te realiseren. Het programma sluit aan bij de actuele (internationale) ontwikkelingen, eisen en verwachtingen in het beroepenveld en in het vakgebied. Academische vaardigheden en/of onderzoeks- en/of beroepsgerichte competenties krijgen invulling op een wijze die past bij de oriëntatie en het niveau van de opleiding. Standaard 3: De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de beoogde leerresultaten te bereiken. De leerresultaten zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. Standaard 4: De vormgeving van het programma zet aan tot studeren en biedt studenten de mogelijkheid om de beoogde leerresultaten te bereiken. De vormgeving van het programma draagt bij aan de realisatie van de beoogde leerresultaten. De onderwijsleeromgeving bevordert dat studenten een actieve rol nemen in de vormgeving van het eigen leerproces (student-centred). De inrichting van de leeromgeving past bij de onderwijsvisie van de instelling. Standaard 5: Het programma sluit aan bij de kwalificaties van de instromende studenten. De gehanteerde toelatingseisen zijn realistisch met het oog op de beoogde leerresultaten. Standaard 6: Het docententeam is gekwalificeerd voor de inhoudelijke en onderwijskundige realisatie van het programma en de omvang ervan is toereikend. De docenten zijn zowel inhoudelijk als didactisch voldoende deskundig om de opleiding te verzorgen. Het personeelsbeleid draagt daar aan bij. Er is voldoende personeel beschikbaar om de opleiding te verzorgen en de studenten te begeleiden. Standaard 7: De huisvesting en de materiële voorzieningen zijn toereikend voor de realisatie van het programma. De huisvesting van de opleiding en de voorzieningen passen bij de beoogde leerresultaten en de onderwijsleeromgeving. Standaard 8: De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten bevorderen de studievoortgang en sluiten aan bij de behoefte van studenten. Studenten ontvangen een passende begeleiding (ook in het geval van een functiebeperking). De informatievoorziening van de opleiding is adequaat. Standaard 9: De opleiding kent een expliciete en breed gedragen kwaliteitszorg, bevordert de kwaliteitscultuur en is gericht op ontwikkeling. De opleiding organiseert effectieve periodieke feedback die de realisatie van de beoogde leerresultaten ondersteunt. Bij bestaande opleidingen vinden geëigende verbeteringen plaats naar aanleiding van de uitkomsten van de vorige beoordeling. Hierbij worden passende evaluatie- en meetactiviteiten ingezet. De uitkomsten van deze evaluatie vormen aantoonbaar de basis voor ontwikkeling en verbetering. De opleiding legt intern verantwoording af over de bijdrage van de opleiding aan het realiseren van de strategische doelen van de instelling. Kwaliteitszorg verzekert realisatie van de beoogde leerresultaten. Bij de interne kwaliteitszorg zijn de opleidings- en examencommissies, medewerkers, studenten, alumni en het afnemende beroepenveld van de opleiding actief betrokken. De ontwerpprocessen en de erkenning en borging van de kwaliteit van de opleiding zijn in overeenstemming met de ESG. De opleiding publiceert accurate, betrouwbare en voor de doelgroepen goed toegankelijke informatie over de kwaliteit van de opleiding. Standaard 10: De opleiding beschikt over een adequaat systeem van toetsing. De beoordeling is valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk. De kwaliteit van de tentaminering en examinering wordt voldoende gewaarborgd en voldoet aan de wettelijke deugdelijkheidsvereisten. De examencommissie oefent haar wettelijke bevoegdheid uit. De toetsen ondersteunen het eigen leerproces van de student. Standaard 11: De opleiding toont aan dat de beoogde leerresultaten worden gerealiseerd. (Bij de toets nieuwe opleiding wordt deze standaard alleen beoordeeld wanneer onderwijs wordt verzorgd en de realisatie van de leerresultaten door afstudeerders kan worden vastgesteld, zie: Uitzondering planbeoordeling bij toets nieuwe opleiding. In alle andere gevallen wordt de beoordeling uitgesteld tot drie jaar na de start van de opleiding, zie: TNO uitgebreide beoordeling gerealiseerde leerresultaten na drie jaar). Het realiseren van de beoogde leerresultaten blijkt uit de uitkomsten van toetsen, de eindwerken en de wijze waarop afgestudeerden in de praktijk of in een vervolgopleiding functioneren. De opleiding beschrijft hoe zij de realisatie van het niveau toetst. Dat kan aan de hand van diverse producten of proeven die hier worden samengenomen onder het begrip ‘eindwerk’. Een niet limitatieve opsomming van eindwerken is: de eindscriptie, een portfolio, een beroepsproduct, een (reeks van) tentamen(s), een artikel of een artistieke prestatie of een combinatie hiervan. Het panel beoordeelt ten minste 15 eindwerken van de opleiding. Selectie vindt plaats, op basis van een lijst met studentnummers met daarbij de informatie die nodig is om een adequate selectie te maken. De selectie kent een redelijke verdeling over voldoende, goede en zeer goede eindwerken. Tevens zijn varianten, locaties, specialisaties, afstudeertrajecten en programma’s, zodanig in de selectie vertegenwoordigd dat mogelijke kwaliteitsverschillen daartussen kunnen worden vastgesteld. Hierdoor kan het nodig zijn het aantal eindwerken dat wordt beoordeeld op te hogen. De opleiding stelt het panel in de gelegenheid om zich voorafgaand3In bijzondere gevallen kan het panel de eindwerken ook tijdens het locatiebezoek bestuderen (bijvoorbeeld in het geval van de uitvoerende kunsten). aan het locatiebezoek een oordeel te vormen over deze eindwerken en de beoordeling daarvan door de opleiding. Tijdens het locatiebezoek wordt gesproken met beoordelaars/examinatoren van de opleiding om een goed inzicht te krijgen in de wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen en de realisatie van het niveau wordt bewaakt. Het panel en in het verlengde de NVAO, spreekt zich uit over toedeling van de opleiding in een CROHO-onderdeel4Het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) kent de onderwijsonderdelen: Onderwijs, Landbouw en natuurlijke omgeving, Natuur, Techniek, Gezondheidszorg, Economie, Recht, Gedrag en maatschappij, Taal en cultuur en Sectoroverstijgend.; In het geval van een hbo-opleiding spreekt het panel, en in het verlengde de NVAO, zich uit over een passende toevoeging aan de graad van de opleiding. Toelichting TNO uitgebreide beoordeling gerealiseerde leerresultaten na drie jaar Wanneer op het moment van de aanvraag nog geen feitelijk onderwijs wordt verzorgd en de betrokken instelling beschikt (nog) niet over een instellingstoets kwaliteitszorg (onder voorwaarden), dan worden drie jaar nadat de toets nieuwe opleiding is verleend, de volgende kwaliteitsaspecten beoordeeld: a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; b. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten. Een onafhankelijk, door de NVAO geaccordeerd panel voert de beoordeling uit. De instelling verstrekt uiterlijk twee en een half jaar na het besluit toets nieuwe opleiding het adviesrapport aan de NVAO. Het panel neemt in zijn advisering de volgende beslisregels in acht: Bestaande opleiding: Toets nieuwe opleiding: Oordeel per standaard: Het panel voorziet elke standaard van een oordeel op de schaal: ‘onvoldoende’, ‘voldoende’, ‘goed’ of ‘excellent’ (zie: definitie oordelen). ‘voldoet niet´, ‘voldoet ten dele´ of ´voldoet´ (zie: definitie oordelen). Beslisregels totaaloordeel opleiding: Excellent: ‘excellent’ op ten minste vijf standaarden, waaronder in elk geval standaard 11 en verder ten minste ‘voldoende’ (zie toelichting Excellent). Goed: minimaal ‘goed’ op ten minste vijf standaarden, waaronder in elk geval standaard 11 en verder ten minste ‘voldoende’. Voldoende: minimaal ‘voldoende’ op ten minste zes standaarden, waaronder in elk geval standaard 1 en herstel van de tekortkoming(en) bij de ‘onvoldoende’ standaarden is realistisch en haalbaar binnen twee jaar (zie ‘herstel’). Onvoldoende: i) standaard 1 is ‘onvoldoende’ of ii) ten minste zes standaarden ‘voldoende’ en herstel van de tekortkomingen bij de ‘onvoldoende’ standaarden binnen twee jaar is niet realistisch en haalbaar (zie: ‘herstel’), of iii) minder dan zes standaarden ‘voldoende’. Positief: op alle standaarden ‘voldoet’. Positief onder voorwaarden: ten minste zes standaarden ‘voldoet’ en de overige standaarden ‘voldoet ten dele’ waarbij voorwaarden zijn opgelegd (zie voorwaarden). Negatief: ‘voldoet niet’ op een of meer standaarden en eveneens bij minder dan zes standaarden ‘voldoet’. Herstel Voorwaarden Wanneer het eindoordeel ‘voldoende’ is en een of meer standaarden worden ‘onvoldoende’ beoordeeld, maar herstel van de tekortkoming(en) binnen maximaal twee jaar realistisch en haalbaar is, kan het panel adviseren om een herstelperiode op te leggen. De NVAO besluit over het opleggen van een herstelperiode. Wanneer het opleggen van een herstelperiode niet realistisch en haalbaar is, is het eindoordeel ‘onvoldoende’. Het panel adviseert concreet over de tekortkomingen die moeten worden weggenomen om te voldoen aan de voorwaarden. Wanneer het panel komt tot het advies ‘positief onder voorwaarden’ adviseert het panel tevens (een) voorwaarde(n). Het panel adviseert alleen tot het stellen van voorwaarden wanneer realisatie binnen een termijn van maximaal twee jaar realistisch en haalbaar is. De NVAO besluit over het stellen van voorwaarden. Wanneer het stellen van voorwaarden niet realistisch en haalbaar is, is het eindoordeel ‘negatief’. Het panel adviseert concreet over de voorwaarden die vervuld moeten worden om te voldoen aan de standaarden. Basiskwaliteit: De kwaliteit die in internationaal perspectief redelijkerwijs mag worden verwacht van een ad-programma, bachelor- of masteropleiding binnen het hoger onderwijs. Bestaande opleiding Onvoldoende: de opleiding voldoet niet aan de basiskwaliteit en vertoont tekortkomingen op meer aspecten. Het panel kan herstel voorstellen (zie: ’herstel’) Voldoende: de opleiding voldoet over de volle breedte van de standaard aan de basiskwaliteit Goed: de opleiding steekt systematisch uit boven de basiskwaliteit. Excellent: de opleiding steekt systematisch ver uit boven de basiskwaliteit en geldt als een internationaal voorbeeld (zie: toelichting Excellent) Toets nieuwe opleiding Voldoet niet: de nieuwe opleiding voldoet niet aan basiskwaliteit Voldoet ten dele: de nieuwe opleiding voldoet in belangrijke mate aan de basiskwaliteit, maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard(en) te voldoen. Als uitgangspunt worden voorwaarden gesteld om deze verbeteringen te realiseren. (maar zie: ‘Beslisregels totaaloordeel opleiding’ zowel bij het beperkt kader als bij het uitgebreid kader voor uitzonderingen) Voldoet: de nieuwe opleiding voldoet aan de basiskwaliteit Toelichting Excellent Het panel geeft in het rapport een overtuigende onderbouwing bij het oordeel ‘Excellent’. Daartoe toont de opleiding aan dat ze als een internationale best practice kan worden aangemerkt. Het panel zal extra bestaande documentatie opvragen wanneer dat voor de onderbouwing van het oordeel noodzakelijk is. Aanvragen om accreditatie worden uiterlijk ingediend op de inleverdatum van de visitatiegroep waarvan de opleiding deel uitmaakt. Het adviesrapport van het panel maakt deel uit van de accreditatieaanvraag. Bestaande opleidingen worden in visitatiegroepen beoordeeld. De NVAO deelt opleidingen in bij een visitatiegroep (op voordracht van de instelling) en stelt daarvan de inleverdatum vast. Regelingen voor aanvragen en wijzigingen zijn op de website van de NVAO gepubliceerd.5De NVAO handelt aanvragen en wijzigingen eenmaal per jaar af (aprilronde). Opleidingen kunnen als sector voorafgaand aan het accreditatieproces met de NVAO spreken over bijvoorbeeld vergelijkend beoordelen in de visitatiegroep, het accreditatiekader, de inhoudelijke thematiek en de werkafspraken om het accreditatieproces goed te laten verlopen. De instelling stelt een zelfevaluatierapport op waarin de sterke en de zwakke punten van de opleiding worden beschreven. Het rapport is een op zichzelf leesbaar document met een omvang van maximaal 15 pagina’s (beperkt kader)/ 20 pagina’s (uitgebreid kader) (exclusief studentenhoofdstuk en bijlagen). Het is mogelijk om met het panel afspraken te maken over een andere vorm of omvang van het zelfevaluatierapport. Naast een zelfevaluatie, kunnen ook bestaande evaluatieve documenten van de opleidingen worden gebruikt. De standaarden uit het beoordelingskader zijn herleidbaar, bijvoorbeeld door een toelichting. Onderdeel van de zelfevaluatie is een eigen hoofdstuk van studenten en/of advies van de opleidingscommissie. De opleiding bevordert dat een onafhankelijk en representatief studentenhoofdstuk tot stand komt. De opleiding voegt bij de zelfevaluatie een beperkt aantal bijlagen. Deze bijlagen geven inzicht in de opzet en/of inhoud van het programma, de samenstelling van het docententeam en de onderwijs- en examenregeling. Het panel vraagt aanvullende documenten en informatie op indien nodig voor het vormen van een oordeel. Uitgangspunt is dat de opleiding de documenten en informatie verstrekt die het panel voor de uitvoering van haar taak nodig heeft. Het panel betracht echter terughoudendheid en vraagt geen andere informatie op dan reeds beschikbaar bij de opleiding. De peers voor opleidingsbeoordelingen zijn onafhankelijk, gezaghebbend in hun vakgebied en beschikken gezamenlijk over onderstaande deskundigheden: actuele kennis van het desbetreffende vakgebied; (recente) ervaring met het verzorgen van onderwijs en toetsing in hetzelfde type onderwijs (hbo/wo master/bachelor/associate degree); is in staat om de opleiding te vergelijken in internationaal perspectief; ervaring in het (internationale) werkveld van het vakgebied; ervaring met peer review in het hoger onderwijs; indien van toepassing: heeft kennis van een specifiek didactische concept; indien van toepassing: deskundigheid op het vlak van het aangevraagde bijzondere kenmerk Het panel bestaat uit tenminste vier leden. Een (op het gebied van kwaliteitszorg) actieve student uit het hoger onderwijs maakt deel uit van het panel. Het panel wordt ondersteund door een door de NVAO getrainde secretaris die formeel géén lid is van het panel. De panelleden zijn onafhankelijk van de opleiding (tenminste vijf jaar geen directe of indirecte banden gehad met de instelling van de opleiding die leiden tot een ‘conflict of interest’). Panelleden tekenen voorafgaand aan de beoordeling een onafhankelijkheidsverklaring. Beoordeling van bestaande opleidingen vindt plaats in een visitatiegroep.6‘Unieke’ opleidingen vormen op zichzelf een visitatiegroep. Een visitatiegroep wordt door één panel vergelijkend beoordeeld.7Om reden van onafhankelijkheid, specifieke deskundigheid en beschikbaarheid van panelleden kan de samenstelling per opleiding wisselen. Er moet echter voldoende ‘overlap’ zijn tussen de samenstelling per opleiding om een consistente vergelijkende beoordeling mogelijk te maken. De betrokken instellingsbesturen leggen een afgestemd voorstel voor de samenstelling van het panel ter instemming voor aan de NVAO8Deze taak kan worden gedelegeerd aan een penvoerder. (inclusief vermelding van secretaris en eventuele procescoördinator9De secretaris en procescoördinator zijn formeel géén lid van het panel. Zij ondersteunen het proces van de oordeelsvorming, maar hebben daarin geen stem.). Daarbij wordt beschreven hoe (de samenhang in) het panel bijdraagt aan een consistente vergelijking tussen de opleidingen. De NVAO toetst de bekwaamheid, de onafhankelijkheid en de samenhang van het panel aan de hand van bovenstaande criteria. De voorzitter en de secretaris van het panel zijn overeenkomstig de eisen van de NVAO getraind. Er vindt eveneens training/briefing van het panel plaats. Het panel spreekt een werkwijze af. Voorafgaand aan het bezoek heeft het panel het zelfevaluatierapport van de opleiding bestudeerd. Vervolgens vindt een voorbereidend intern paneloverleg plaats waarin het panel het zelfevaluatierapport en de onderliggende documenten bespreekt. Tevens formuleert het panel de vragen die het tijdens het bezoek aan de gespreksdeelnemers zal voorleggen. Het panel voert een peer review uit in die zin dat collegiale consultatie/toetsing centraal staan. De attitude en werkwijze van het panel past bij dit uitgangspunt. Dit betekent onder meer dat het panel vertrekt vanuit vertrouwen en de uitgangspunten van de opleiding, een open dialoog met de opleiding voert, recht doet aan de verschillende perspectieven op kwaliteit en bij draagt aan verbetering. In het panel vindt collegiale oordeelsvorming plaats. Daarbij wordt gelijkwaardig recht gedaan aan de verschillende perspectieven op kwaliteit die in het panel zijn vertegenwoordigd, waaronder het studentenperspectief. Het panel streeft daarbij naar consensus. Het locatiebezoek bestaat uit twee delen: beoordeling in het kader van accreditatie en verbetering: de opleiding doet een programmavoorstel voor het locatiebezoek, inclusief gespreksvolgorde, gesprekstypen, personen en duur. Het panel honoreert dit voorstel zo veel mogelijk en kan ten behoeve van betrouwbare oordeelsvorming aanpassingen vragen; de opleiding voert daarnaast een zogenoemd ontwikkelgesprek met het panel waarin mogelijke verbeteringen vanuit een ontwikkelperspectief aan de orde komen. Het locatiebezoek levert twee rapportages op: adviesrapport: in dit rapport maakt het panel inzichtelijk welke bevindingen hebben geleid tot de toegekende oordelen en vat deze samen in een bondig adviesrapport. De standaarden en beslisregels uit het toepasselijke kader zijn leidend in deze rapportage. Aanbevelingen tot verbetering zijn opgenomen in het adviesrapport. Het adviesrapport bevat een samenvatting. Het adviesrapport ligt ten grondslag aan het accreditatiebesluit van de NVAO. De NVAO publiceert het besluit en het adviesrapport; de instelling publiceert daarnaast binnen een redelijke termijn na het accreditatiebesluit van de NVAO de conclusies die zijn verbonden aan het ontwikkelgesprek met het panel. Het conceptadviesrapport wordt vastgesteld door de voorzitter na akkoord door de panelleden. De instelling ontvangt het conceptrapport voor het binnen twee weken corrigeren van eventuele feitelijke onjuistheden. Het panel verwerkt de reactie van de instellingen en daarna stelt de voorzitter het definitieve rapport vast, na instemming van de panelleden. De Instelling dient een aanvraag in bij de NVAO. Het informatiedossier volgt de standaarden van het beoordelingskader en maakt deel uit van de aanvraag. Het informatiedossier is een op zichzelf leesbaar document met een omvang van maximaal 15 pagina’s (beperkt kader)/ 20 pagina’s (uitgebreid kader) (exclusief bijlagen). Naast een informatiedossier kunnen ook bestaande documenten van de opleidingen worden gebruikt. De opleiding voegt bij het informatiedossier een beperkt aantal bijlagen. Deze bijlagen geven inzicht in de opzet en/of inhoud van het programma en de samenstelling van het beoogde docententeam. Het panel vraagt aanvullende documenten en informatie op indien nodig voor het vormen van een oordeel. Uitgangspunt is dat de opleiding de documenten en informatie verstrekt die het panel voor de uitvoering van haar taak nodig heeft. Het panel betracht echter terughoudendheid. De samenstelling, voorbereiding en oordeelsvorming van het panel bij een toets nieuwe opleiding zijn gelijk aan die van het panel bij de beoordeling van een bestaande opleiding (zie paragraaf 2.7.4, met uitzondering van ‘visitatiegroepen’). De NVAO stelt het panel samen dat de toets nieuwe opleiding uitvoert en benoemt dit panel. De instelling kan binnen twee weken na bekendmaking van de samenstelling beargumenteerd bedenkingen tegen de samenstelling van het panel doorgeven aan de NVAO. De panelleden zijn onafhankelijk van de opleiding (tenminste vijf jaar geen directe of indirecte banden gehad met de instelling van de opleiding die leiden tot een ‘conflict of interest’). Panelleden tekenen voorafgaand aan de beoordeling een onafhankelijkheidsverklaring. Het panel wordt bij een TNO ondersteund door een door de NVAO getrainde secretaris en/of een procescoördinator van de NVAO10De secretaris en procescoördinator zijn formeel géén lid van het panel. Zij ondersteunen het proces van de oordeelsvorming, maar hebben daarin geen stem.. Het programma van het locatiebezoek komt tot stand in overleg tussen de procescoördinator en de contactpersoon van de opleiding. Zie paragraaf 2.7.5 (met uitzondering van ‘Ontwikkelgesprek’). Rapportage blijft beperkt tot het adviesrapport. Zie paragraaf 2.7.6 (met uitzondering van ‘Verslag ontwikkelgesprek’). In aanvulling op paragraaf 2.7.6: Wanneer het panel adviseert om voorwaarden te stellen, reageert de instelling op die voorwaarden bij de correctie van feitelijke onjuistheden. De NVAO betrekt de reactie bij het bepalen van de voorwaarden en de termijn waarbinnen moet worden aangetoond dat daaraan is voldaan. De NVAO vormt zich een oordeel over het adviesrapport waarbij wordt gekeken naar consistentie, werkwijze van het panel, procedurele eisen, onderbouwing en weging om vast te stellen dat het paneladvies degelijk, deugdelijk en navolgbaar is onderbouwd en de oordeelsvorming consistent heeft plaatsgevonden. De NVAO kan de voorzitter van het panel (en eventueel andere panelleden) uitnodigen voor een toelichting. De NVAO informeert de instelling over dit overleg en kan de instelling ook uitnodigen voor een gesprek. Instellingen kunnen aangeven dat zij behoefte hebben aan een toelichting. De NVAO komt op basis van het adviesrapport van het panel en eventuele toelichting gemotiveerd tot een eigenstandig oordeel. Het besluit luidt dan: positief; positief onder voorwaarde(n) of negatief. De instelling krijgt de gelegenheid te reageren op feitelijke onjuistheden in het voornemen tot besluit. Opleidingen worden voor zes jaar geaccrediteerd. Elke zes jaar toont de opleiding aan dat zij nog steeds aan de standaarden voor heraccreditatie voldoet. De NVAO komt op basis van het adviesrapport van het panel, gemotiveerd, tot een eigenstandig oordeel op grond waarvan zij een besluit neemt. De NVAO kan besluiten dat de opleiding opnieuw voor zes jaar geaccrediteerd wordt, dat er geen heraccreditatie van de opleiding plaatsvindt of dat de lopende accreditatietermijn tijdelijk wordt verlengd in het kader van een herstelperiode. Bij een onvoldoende op standaard 1 neemt de NVAO een negatief besluit en is er geen mogelijkheid voor een aanvullende beoordeling. Wanneer het panel adviseert tot het toekennen van een herstelperiode, voegt de opleiding een herstelplan bij de aanvraag tot heraccreditatie en het advies van de opleidingscommissie daarover (wanneer de opleidingscommissie wettelijk is voorgeschreven). De NVAO betrekt het herstelplan bij het besluit tot het verlengen van de lopende accreditatietermijn in het kader van een herstelperiode en bij het bepalen van de termijn waarbinnen moet worden aangetoond dat herstel is gerealiseerd. In het laatste geval vindt binnen maximaal twee jaar een aanvullende beoordeling plaats. Dit wordt vastgelegd in het besluit. De NVAO legt in het besluit tot het verlengen van de lopende accreditatietermijn in het kader van een herstelperiode vast welke aspecten worden beoordeeld om de realisatie van het herstel vast te stellen. Tevens wordt een uiterste inleverdatum bepaald voor het aanleveren van documentatie door de opleiding waarin wordt aangetoond dat het herstel is gerealiseerd. In beginsel beoordeelt hetzelfde panel of het herstel is gerealiseerd. De NVAO kan besluiten tot aanpassingen in de samenstelling. Het panel besluit welke werkwijze wordt gevolgd bij de beoordeling. Het panel brengt advies uit aan het NVAO bestuur. Zie verder paragraaf 2.9 ‘Besluitvorming NVAO’. Bij een toets nieuwe opleiding kan de NVAO tot een positief besluit (voor zes jaar) of negatief besluit komen. Aan een positief besluit kan de NVAO voorwaarden verbinden. In het laatste geval vindt binnen maximaal twee jaar een aanvullende beoordeling plaats. Indien voorwaarden zijn gesteld is de looptijd van de toets nieuwe opleiding beperkt tot de periode waarin aan voorwaarden moet zijn voldaan. Voor opleidingen die een uitgebreide toets nieuwe opleiding hebben ondergaan, bestaat de verplichting om na drie jaar het niveau te laten beoordelen. Deze verplichting geldt alleen indien de instelling die de opleiding aanbiedt, niet beschikt over een (voorwaardelijke) ITK (zie toelichting: TNO uitgebreide beoordeling gerealiseerde leerresultaten na drie jaar). Nieuwe opleidingen worden uiterlijk in de aprilronde11Mutaties in de samenstelling van visitatiegroepen worden door de NVAO één maal per jaar verwerkt (aprilronde) en gepubliceerd op de website van de NVAO. van het jaar twee jaar vóór het jaar van de vervaldatum ingedeeld in een visitatiegroep (jaar aprilronde = jaar vervaldatum min 2). De instelling dient uiterlijk in de desbetreffende aprilronde een verzoek tot indeling in. Deze verplichting is onderdeel van het besluit. In het positief besluit onder voorwaarden legt de NVAO vast welke aspecten worden beoordeeld om realisatie van de voorwaarden vast te stellen. Tevens wordt een uiterste inleverdatum bepaald voor het aanleveren van documentatie door de opleiding waarin wordt aangetoond dat aan de voorwaarden is voldaan. In beginsel beoordeelt hetzelfde panel of aan de voorwaarden is voldaan. De NVAO kan besluiten tot aanpassingen in de samenstelling. Het panel besluit welke werkwijze wordt gevolgd bij de beoordeling. De inrichting van de beoordeling wordt afgestemd tussen de procescoördinator en de instelling. Het panel brengt advies uit aan het NVAO bestuur. Zie verder paragraaf 2.9 ‘Besluitvorming NVAO’.

Rechtspraak bij dit artikel