In dit artikel vindt een afbakening plaats van het recht op bijzondere onderstand voor duurzame gebruiksgoederen als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 22. Deze afbakening is ingegeven door ervaringen met de huidige wijze van verlening van bijzondere onderstand en dient mede om de verhoging van de inkomensgrens voor de bijzondere onderstand in het juiste kader te plaatsen.
Bijzondere onderstand voor duurzame gebruiksgoederen komt aan de orde als de betrokkene (a) niet de middelen kan verwerven om te voorzien in (b) noodzakelijke kosten van het bestaan (c) die uit bijzondere omstandigheden voortvloeien (artikel 20 Besluit onderstand BES).
De bijzondere onderstand moet (d) worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende (artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES).
En in voorkomende gevallen (e) moet de aanvrager voldoen aan de plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 20 Besluit onderstand BES).
Verstrekking vindt (f) plaats in natura (artikel 27, derde lid, van het Besluit onderstand BES).
Hierna worden deze punten nader uitgewerkt.
Onder middelen verstaat het Besluit onderstand BES alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken (artikel 18, eerste lid).
Op de rol van de plicht tot arbeidsinschakeling in dit verband wordt hierna ingegaan onder e. Voldoen aan de plicht tot arbeidsinschakeling.
Onder vermogen moet worden verstaan het saldo van bezittingen en schulden. Voor zover betrokkene bezittingen heeft die niet uit geld bestaan, worden die alleen in aanmerking genomen indien en voor zover betrokkene die redelijkerwijs te gelde kan maken om in het gevraagde te voorzien.
Met contant geld en geld op een bank- of spaarrekening wordt betrokkene geacht in het gevraagde te kunnen voorzien voor zover het bedrag daarvan meer bedraagt dan het maandbedrag van het wettelijk minimumloon.
Binnen de bijzondere onderstand wordt geen onderscheid gemaakt naar de aard van het inkomen. Wel naar de hoogte van het inkomen. Naar mate het inkomen hoger is, wordt betrokkene geacht meer mogelijkheden te hebben om met dat inkomen in het gevraagde te voorzien - en bijgevolg geen recht op bijzondere onderstand te hebben. Anders gezegd: naar mate het inkomen hoger is, worden er zwaardere eisen gesteld aan de bijzondere omstandigheden die recht geven op bijzondere onderstand voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. In de volgende onderdeel wordt dit nader uitgewerkt.
De noodzaak van de aanschaf is op zich géén bijzondere omstandigheid
De aanschaf van de hierna in de artikelen 20 tot en met 22 aan de orde komende duurzame gebruiksgoederen behoort tot de algemeen gebruikelijke uitgaven. Dat betekent dat de aanschafkosten van duurzame gebruiksgoederen in beginsel behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die voldaan dienen te worden uit een inkomen dat gelijk is aan of hoger dan het toepasselijke algemene onderstandbedrag. De noodzaak van de aanschaf is op zich dus niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. Hoe hoger het inkomen, des te meer is er sprake van algemeen noodzakelijke kosten.
Bij de eerste aanschaf van een duurzaam gebruiksgoed kunnen alleen medische of dringende sociale redenen een bijzondere omstandigheid zijn
De noodzaak van de eerste aanschaf van duurzame gebruiksgoederen is – anders dan bij een vervangingsaanschaf – (ruim) van tevoren te voorzien. Bijvoorbeeld als men voor het eerst zelfstandig gaat wonen. Daarom kan bij de eerste aanschaf alleen een medische reden of een dringende sociale reden als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.
Gegronde redenen voor ontbrekende reserveringsmogelijkheden zijn een bijzondere omstandigheid
Zoals hiervoor is aangegeven, dient voor de aanschafkosten van duurzame gebruiksgoederen te worden gereserveerd. Dat geldt ook voor mensen met een algemene onderstand en geldt des te meer voor mensen met een inkomen boven het voor hen toepasselijke onderstandsbedrag.
Als er gegronde redenen zijn waardoor het aan reserveringsmogelijkheden heeft ontbroken dan kan er sprake zijn van een bijzondere omstandigheid. Hier volgt een aantal voorbeelden van gegronde redenen:
Langer dan één jaar voor de voorziening in het bestaan uitsluitend zijn aangewezen op algemene onderstand of een daarmee qua hoogte vergelijkbaar inkomen (zie echter ook hierna bij d. Voldoen aan de plicht tot arbeidsinschakeling);
Een onvoorziene vervanging nadat eerdere onvoorziene vervangingen uit eigen middelen zijn betaald;
In verhouding tot het inkomen hoge huurkosten;
Niet vergoede kosten die verband houden met ziekte of handicap;
Niet vergoede crèchekosten;
Vervoerskosten die samenhangen met arbeid.
Bij een inkomen van meer dan 100% van het WML wordt rekening gehouden met het feit dat er ruimere financiële mogelijkheden zijn waarop de bestedingen zijn afgestemd. Dat gebeurt door rekening te houden met de kosten van meer dan drie kinderen. Voor deze kosten wordt voor het vierde en volgende kind rekening gehouden met een bedrag gelijk aan dat voor het tweede en derde kind in de algemene onderstand (artikel 16, tweede lid, Besluit onderstand BES).
Het lijdt geen twijfel dat duurzame gebruiksgoederen zoals die in de artikelen 20 tot en met 22 aan de orde komen tot de noodzakelijke kosten van het bestaan behoren - wat, als hiervoor aangegeven, een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde is voor verlening van bijzondere onderstand.
Of andere dan de in die artikelen genoemde duurzame gebruiksgoederen noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen zijn, komt hierna aan de orde bij (d) afstemming op omstandigheden, mogelijkheden en middelen.
Uit wetsgeschiedenis en jurisprudentie blijkt dat in het begrip noodzakelijke kosten van het bestaan een objectivering besloten ligt; kosten die naar aard of doel geacht moeten worden niet gebruikelijk te zijn voor de doelgroep van de bijzondere onderstand, behoren niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan.
Het moet gaan om noodzakelijke kosten die volledig betrekking hebben op het bestaan van betrokkene. Als de betrokkene met meerdere anderen met een voor deze kosten toereikend inkomen een woning bewoont zijn de kosten van een koelkast, fornuis en dergelijke goederen waarvan ook de anderen gebruik maken, geen kosten die volledig betrekking hebben op het bestaan van betrokkene. Derhalve zijn deze kosten voor betrokkene geen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Net als bij de algemene onderstand geldt bij de bijzondere onderstand het individualiseringsbeginsel; de bijzondere onderstand dient te worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, alsmede op het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 12, eerste en tweede lid, Besluit onderstand BES). Zie ook artikel 30 van deze beleidsregels.
Bij wijze van individualisering kunnen dus ook andere dan de in de artikelen 17, 20 en 21 genoemde duurzame gebruiksgoederen tot de noodzakelijke kosten van het bestaan behoren. Deze individualisering vindt echter zijn begrenzing in de hiervoor onder (b) genoemde betekenis van het feit dat de bijzondere onderstand noodzakelijke kosten van het bestaan betreft.
Tot het besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan behoort het zorgvuldig omgaan met duurzame gebruiksgoederen. Voor duurzame gebruiksgoederen kan bij een zorgvuldig gebruik een levensduur van vijf jaar worden aangehouden. Als het goed binnen die periode onbruikbaar wordt, zal in de regel sprake zijn van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Daarom kan binnen een periode van vijf jaar niet voor een tweede keer bijzondere bijstand worden verleend voor de aanschaf van hetzelfde duurzame gebruiksgoed. Vanzelfsprekend geldt deze regel ook als het betreffende goed is verkocht of weg geschonken.
Ook in het bestedingspatroon kan tekortschietend besef van verantwoordelijkheid besloten liggen. Bijvoorbeeld als geld besteed is aan een (te) duur mobiel telefoonabonnement. En ook dan bestaat geen recht op bijzondere onderstand in de aanschafkosten van een duurzaam gebruiksgoed.
Ook ten aanzien van de bijzondere onderstand voor duurzame gebruiksgoederen geldt dat betrokkene primair zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in deze kosten. Bijgevolg is daar dan ook de plicht tot arbeidsinschakeling aan verbonden. Zie hiervoor hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.
Gelet op het bepaalde in artikel 27, derde lid, van het Besluit onderstand BES wordt bijzondere onderstand voor de aanschafkosten van duurzame gebruiksgoederen in natura verstrekt.
Grondslag: Artikel 20 Besluit onderstand BES (toekenning bijzondere onderstand) in combinatie met artikel 12, eerste en tweede lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende en tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de belanghebbende) en de artikelen 18, eerste lid, en 32, aanhef en onderdeel b, Besluit onderstand BES.
Hoofdstuk 6
Artikel 19
Afbakening duurzame gebruiksgoederen
Onderdeel van Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2019· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2022