Het collectieve aandeel van de decentrale overheden in het EMU-saldo, bedoeld in artikel 2, wordt uitgesplitst naar:
een aandeel voor de provincies gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld:
voor 2019 –0,08 procent van het bruto binnenlands product;
voor 2020 –0,08 procent van het bruto binnenlands product;
voor 2021 –0,08 procent van het bruto binnenlands product;
voor 2022 –0,08 procent van het bruto binnenlands product;
een aandeel voor de gemeenten gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld:
voor 2019 –0,27 procent van het bruto binnenlands product;
voor 2020 –0,27 procent van het bruto binnenlands product;
voor 2021 –0,27 procent van het bruto binnenlands product;
voor 2022 –0,27 procent van het bruto binnenlands product;
een aandeel voor de waterschappen gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld:
voor 2019 –0,05 procent van het bruto binnenlands product;
voor 2020 –0,05 procent van het bruto binnenlands product;
voor 2021 –0,05 procent van het bruto binnenlands product;
voor 2022 –0,05 procent van het bruto binnenlands product.
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 3
Onderverdeling naar overheidslaag
Onderdeel van Regeling vaststelling gelijkwaardige inspanning decentrale overheden inzake EMU-saldo· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2019