Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Wanneer spreken we van niet tijdig beslissen?

Onderdeel van Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (algemene versie)· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2019

‘Niet tijdig beslissen’ betekent dat een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit de beslistermijn heeft overschreden. Dat kan een wettelijke termijn zijn. Als een wettelijke termijn ontbreekt, dan geldt een ‘redelijke termijn’. Wat redelijk is hangt af van de omstandigheden van het geval. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Indien de termijn waarbinnen het bestuursorgaan moet beslissen is de wet staat, spreken we van een wettelijke termijn. Het kan voorkomen dat de termijn eindigt in het weekend of op een feestdag. In dat geval wordt in beginsel de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Als er geen wettelijke termijn is vastgesteld, geldt een redelijke termijn. Wat een redelijke termijn is, is afhankelijk van de soort beslissing en kan enkele weken of maanden zijn, maar in uitzonderlijke gevallen zelfs enkele dagen. Het bestuursorgaan moet in ieder geval binnen acht weken een beslissing nemen of, als het bestuursorgaan ziet aankomen dat het er niet in slaagt binnen acht weken te beslissen, aan de aanvrager een redelijke termijn meedelen waarbinnen de beslissing wél zal worden genomen. Die redelijke termijn is niet vastgesteld op acht weken en is afhankelijk van de complexiteit van de besluitvorming en het belang dat de aanvrager heeft bij een snelle beslissing. Een ingebrekestelling wegens niet tijdig beslissen zal bij het ontbreken van een wettelijke termijn dus in een aantal gevallen mogelijk zijn. Ten eerste zodra de door het bestuur meegedeelde redelijke termijn is verstreken. Ten tweede zodra acht weken zijn verstreken na ontvangst van de aanvraag door het bestuursorgaan en het bestuur geen mededeling doet. Het bestuursorgaan heeft in zo’n geval na de ontvangst van een ingebrekestelling twee weken om alsnog een beslissing te nemen. Wanneer dit niet gebeurt, begint de dwangsom automatisch te lopen en kan de aanvrager direct beroep instellen. Dit betekent dat de aanvrager al na enkele dagen, wanneer hij of zij meent dat de redelijke termijn verstreken is, het bestuursorgaan in gebreke kan stellen wegens het niet tijdig beslissen. Een redelijke termijn is immers afhankelijk van de soort beslissing en kan enkele weken of maanden zijn, maar in uitzonderlijke gevallen zelfs dagen. Wanneer het bestuursorgaan deze ingebrekestelling ontvangt, staan de volgende mogelijkheden open: Het bestuursorgaan kan binnen twee weken een beslissing nemen. Hiermee voorkomt het bestuursorgaan dat een dwangsom betaald moet worden én wordt direct beroep voorkomen. Wanneer het bestuursorgaan niet binnen twee weken een beslissing kan nemen, kan het bestuursorgaan mededelen dat de redelijke termijn nog niet verstreken is. In dat geval is het aan de rechter om te bepalen wat de redelijke termijn is. Een belanghebbende kan het bestuursorgaan niet in gebreke stellen als hij de termijn onredelijk vindt. Wel kan hij in dat geval bezwaar maken tegen de vastgestelde termijn. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De beslistermijn loopt vanaf de dag na de laatste dag waarop de bezwaartermijn verstreek. De termijn om te beslissen op een bezwaarschrift is zes weken. Indien een bezwaaradviescommissie is ingesteld, bedraagt de termijn twaalf weken. Bij administratief beroep moet het beroepsorgaan binnen zestien weken beslissen. Indien het beroepsorgaan behoort tot dezelfde rechtspersoon als het primair besluitende orgaan, geldt echter dezelfde termijn als bij bezwaar: zes weken of – indien een adviescommissie is ingesteld – tien weken. Dit laatste geval doet zich voor indien de gemeenteraad de beroepsinstantie is en het college van burgemeester en wethouders het primair besluitende orgaan. Beide behoren tot dezelfde rechtspersoon: de gemeente. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. In bepaalde gevallen wordt de termijn opgeschort. Ondanks opschorting van de termijn blijft het mogelijk om de termijn te verdagen. Ter illustratie volgt een voorbeeld. Stel, de beslistermijn van beschikking X is zes weken, met de mogelijkheid van verdaging van nog eens twee weken. Bij de ontvangst van de aanvraag wordt geconstateerd dat die onvolledig is. Daarom biedt het bestuursorgaan de aanvrager de mogelijkheid de aanvraag binnen vier weken aan te vullen. Dertien dagen later maakt de aanvrager van die mogelijkheid gebruik. Met die termijn wordt de beslistermijn opgeschort. Dan verloopt de procedure als volgt: 1 oktober: indiening aanvraag (einde termijn: 1 oktober + 6 weken = 12 november) 4 oktober: bestuursorgaan biedt de gelegenheid aan te vullen 17 oktober: ontvangst aanvulling opschorting beslistermijn: 12 november + 13 dagen = 25 november. Het bestuursorgaan heeft tot en met 25 november de tijd om de oorspronkelijke beslistermijn te verdagen. Als op 25 november geen beschikking is genomen én niet is verdaagd, is in dit voorbeeld sprake van niet tijdig beslissen. Is wel tijdig verdaagd, dan wordt de beslistermijn met maximaal twee weken verlengd. Het bestuursorgaan heeft dan tot 9 december de tijd om te beslissen. Na 9 december is sprake van niet tijdig beslissen. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.

Rechtspraak bij dit artikel