Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Wet dwangsom

Onderdeel van Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (algemene versie)· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2019

De dwangsomregeling geldt bij niet tijdig beslissen. De dwangsom is alleen verschuldigd als aan de drie volgende voorwaarden is voldaan: Het bestuursorgaan heeft niet tijdig beslist op een aanvraag (zie paragraaf 5 voor wat verstaan wordt onder ‘niet tijdig’). De aanvrager heeft het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke gesteld. Het bestuursorgaan heeft twee weken na de ingebrekestelling nog geen besluit genomen. De dwangsomregeling ziet er, van aanvraag tot betaling van de dwangsom, als volgt uit: de aanvrager dient een aanvraag in; de beslistermijn – al dan niet verlengd – verstrijkt zonder beslissing; de aanvrager stelt het bestuursorgaan in gebreke; twee weken verstrijken zonder beslissing; het bestuursorgaan is een dwangsom verschuldigd voor elke dag dat de beslissing uitblijft (als het bestuursorgaan de ingebrekestelling op maandag ontvangt, is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd de dinsdag twee weken later); de maximale looptijd van de dwangsom bedraagt 42 dagen; de dwangsom bedraagt maximaal € 1.442; de dwangsom bedraagt € 23 per dag over de eerste twee weken, € 35 per dag over de volgende twee weken en € 45 per dag over de overige twee weken; het bestuursorgaan stelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd is het totaalbedrag van de verschuldigde dwangsommen bij beschikking vast; het bestuursorgaan betaalt binnen zes weken na de vaststelling van het totaalbedrag het verschuldigde bedrag aan de aanvrager. Het bestuursorgaan tekent de datum van ontvangst van een aanvraag onverwijld aan en stuurt de aanvrager een bewijs van ontvangst. Deze bepaling en vastlegging van de datum van ontvangst is van belang voor alle betrokkenen, omdat vanaf die datum verschillende termijnen beginnen te lopen. Een ingebrekestelling die te vroeg is verstuurd, is ongeldig. Het is dus niet mogelijk om bij een aanvraag al een voorwaardelijke ingebrekestelling te voegen. Een voorwaardelijke ingebrekestelling is een brief waarin de aanvrager het bestuursorgaan vast in gebreke stelt in het eventuele geval dat het bestuursorgaan niet tijdig beslist. Anders ligt het bij een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend. Deze zou door het bestuursorgaan wel als geldig kunnen worden beschouwd. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet dwangsom is uitgesproken dat in de praktijk de rechter zou kunnen oordelen dat een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend, toch geldt; de dwangsom is dan twee weken en een dag later verschuldigd. Dus: is de ingebrekestelling op maandag ontvangen en had dat eigenlijk pas dinsdag moeten zijn, dan is de dwangsom verschuldigd met ingang van de woensdag twee weken later. De datum waarop het bestuursorgaan de ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17 lid 3 Awb ontvangt, is bepalend voor de vraag met welke bedragen moet worden gerekend. Als het bestuursorgaan de ingebrekestelling in 2018 heeft ontvangen, dan gelden nog de oude bedragen. Als het bestuursorgaan de ingebrekestelling in 2019 ontvangt, dan gelden de nieuwe bedragen. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De regeling beroep bij niet tijdig beslissen geldt in alle gevallen waarin het bestuursorgaan de beslistermijn heeft overschreden. In tegenstelling tot de dwangsomregeling die alleen geldt voor aanvragen en beslissingen op bezwaar die het karakter van een beschikking hebben. Bij termijnoverschrijding door het bestuursorgaan heeft de burger niet alleen recht op een dwangsom, maar ook de mogelijkheid om direct beroep in te stellen bij de rechter. De aanvrager kan vanaf de eerste dag dat het bestuursorgaan te laat is met beslissen het bestuursorgaan in gebreke stellen. De enige eis is dat de ingebrekestelling schriftelijk moet gebeuren. Een mondelinge ingebrekestelling volstaat dus niet. De Algemene wet bestuursrecht stelt verder geen eisen aan de vorm. Het is belangrijk om in de gaten te houden dat de ingebrekestelling dus ook ‘verpakt’ kan zitten in een bezwaarschrift of klacht, die (mede) is gericht tegen het niet tijdig beslissen. Na de ingebrekestelling heeft het bestuursorgaan twee weken om alsnog te beslissen. Gebeurt dat binnen die twee weken niet, dan kan de aanvrager daarna beroep instellen bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen. Voorbeeld: als de ingebrekestelling op maandag verzonden is, kan het beroepschrift op zijn vroegst worden verstuurd op de dinsdag twee weken later. De rechtbank behandelt het beroep – zonder zitting – binnen acht weken. Als de rechter een zitting toch nodig acht, dan vindt de behandeling van het beroep binnen dertien weken plaats. Besluit de rechtbank dat het beroep gegrond is, dan moet het bestuursorgaan alsnog binnen twee weken beslissen. Ook hier geldt dat een ingebrekestelling die te vroeg is verstuurd, ongeldig is. Het is dus niet mogelijk om bij een aanvraag al een voorwaardelijke ingebrekestelling te voegen. Anders ligt het bij een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend. Deze zou door het bestuursorgaan wel als geldig kunnen worden beschouwd. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet dwangsom is uitgesproken dat in de praktijk de rechter zou kunnen oordelen dat een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend, toch geldt; de dwangsom is dan twee weken en een dag later verschuldigd. Dus: is de ingebrekestelling op maandag ontvangen en had dat eigenlijk pas dinsdag moeten zijn, dan is de dwangsom verschuldigd met ingang van de woensdag twee weken later. Twee weken nadat het bestuursorgaan een ingebrekestelling heeft ontvangen, gaat de dwangsom automatisch lopen. Twee weken nadat de aanvrager een ingebrekestelling heeft verzonden, kan hij een beroepschrift tegen niet tijdig beslissen bij de rechtbank indienen. Of hij dat doet en zo ja, wanneer, bepaalt degene die beroep instelt zelf. De grens ligt bij het onredelijk laat instellen van beroep. De rechter bepaalt wat onder ‘onredelijk laat’ moet worden verstaan, dus of de aanvrager op tijd is met het instellen van beroep. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Het bestuursorgaan kan de beslistermijn onder bepaalde voorwaarden verlengen. De Wet dwangsom biedt meer mogelijkheden om de termijn te verlengen. De beslistermijn wordt opgeschort (loopt niet door) in de volgende gevallen: als het bestuursorgaan de aanvrager vraagt om zijn aanvraag aan te vullen, bijvoorbeeld door meer informatie te verschaffen. De beslistermijn wordt dan opgeschort op de dag nadat het bestuursorgaan de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvrager dat heeft gedaan of de gestelde termijn is verstreken; als het bestuursorgaan wacht op informatie uit het buitenland, die onmisbaar is om te kunnen beslissen. Opschorting begint op de dag nadat het bestuursorgaan dit aan de aanvrager heeft meegedeeld en eindigt als de informatie binnen is. De opschorting eindigt óók als de informatie na een redelijke termijn nog steeds niet is ontvangen; als de aanvrager schriftelijk instemt met uitstel; als de vertraging de schuld is van de aanvrager. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat de aanvrager een dag voor afloop van de beslistermijn een dik pak met aanvullende gegevens opstuurt; of als hij steeds opnieuw vraagt om uitstel van een hoorzitting of om nader onderzoek; als het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is te beslissen. Er moeten dan wel abnormale en onvoorziene omstandigheden zijn waarop het bestuursorgaan geen invloed heeft, zoals het volledig afbranden of onder water lopen van het gemeentehuis. in de bovenstaande gevallen 1, 2 en 3 verneemt de aanvrager altijd dat de beslistermijn is opgeschort; in de gevallen 1 en 3 wordt de aanvrager bovendien ingelicht wanneer de opschorting ten einde is; in geval 4 hoeft het bestuursorgaan de aanvrager niet in te lichten; in geval 5 moet het bestuursorgaan de aanvrager meedelen dat de beslistermijn is opgeschort; in de gevallen 2, 4 en 5 moet het bestuursorgaan de aanvrager meedelen wanneer de opschorting afloopt én binnen welke termijn alsnog een beslissing moet worden genomen (de resterende beslistermijn). Soms wordt met geautomatiseerde systemen de voortgang van de behandeling bewaakt of (als kwaliteitsinstrument) doorlooptijden gemeten. In dat geval zullen deze systemen moeten worden aangepast aan de nieuwe opschortingsgronden. Dat geldt ook voor de registratie van ingebrekestellingen en beroepschriften wegens niet tijdig beslissen en voor de registratie van dwangsommen. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Indienen aanvraag/bezwaar/administratief beroepschrift I I Verstrijken beslistermijn (wettelijk/redelijk) zonder beslissing I I Ingebrekestelling bestuursorgaan door aanvrager I I Na verstrijken twee weken zonder beslissing: dwangsom gaat automatisch lopen (max. € 1.442 bij 42 dagen) I I Regeling beroep bij niet tijdig beslissen bij bestuursrechter door aanvrager (naar keuze van aanvrager) I I Beroep gegrond: bestuursorgaan moet binnen twee weken beslissen De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel