Ieder lid handelt bij de naleving van de door hem afgelegde eed of belofte in overeenstemming met beginselen van integriteit en betrouwbaarheid. De invulling daarvan en de verantwoording daarover vinden plaats in overeenstemming met deze gedragscode.
Integriteit is in de ruimste zin van het woord het goede doen, ook als niemand kijkt. Voor Eerste Kamerleden begint integriteit bij de eed of belofte die alle leden op grond van artikel 60 Grondwet en artikel 2 Wet beëdiging Ministers en leden Staten-Generaal afleggen. Bij de aanvaarding van hun ambt leggen zij in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt. Bij de naleving van de eed of belofte dienen leden te handelen in overeenstemming met beginselen van integriteit en betrouwbaarheid. Deze gedragscode beoogt die beginselen verder in te vullen. De verantwoording zoals voorzien in dit document streeft naar een wijze van transparantie die de samenleving redelijkerwijze mag verwachten van een gekozen volksvertegenwoordiger.
De Tijdelijke commissie GRECO-rapport noemde in 2014 als elementen van het begrip integriteit het voorbeeldig, betrouwbaar en transparant handelen.2Kamerstukken I 2013/14, CX, A, p. 5. Leden geven het goede voorbeeld door respectvol met elkaar om te gaan in procedures en tijdens het debat, leven vastgestelde regels, afspraken en deadlines na en zijn bij hun handelen transparant over hun functies naast het Kamerlidmaatschap en eventuele andere belangen. Aldus ook de Tijdelijke commissie werkwijze Eerste Kamer in 2017.3Kamerstukken I 2016/17, CXXIV, A, p. 7.
Leden van de Eerste Kamer zijn medewetgever en controleur van de regering. Zij behartigen, allemaal vanuit hun eigen politieke ideologie en overtuiging, het algemeen belang. De leden beschikken over een vrij mandaat en stemmen zonder last (artikel 67, derde lid, Grondwet). Het voorgaande betekent niet dat politieke beginselen en afspraken geen rol kunnen spelen, maar wel dat de leden uiteindelijk zelf de eindafweging maken. Leden kunnen niet worden verplicht volgens de partij- of fractielijn te stemmen, niet worden geschorst en evenmin worden gedwongen hun Kamerzetel ter beschikking te stellen.4Aldus eerder ook de Tijdelijke commissie GRECO-rapport, Kamerstukken I 2013/14, CX, A, p. 7. In die zin is hun onafhankelijkheid (juridisch) gewaarborgd.
Bij de combinatie van het Eerste Kamerlidmaatschap met bepaalde functies staat de gewenste onafhankelijkheid zozeer onder druk dat de grondwetgever of de wetgever deze functies formeel incompatibel heeft verklaard. Zie daarvoor artikel 57 Grondwet en artikel 1 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement. Een lid van de Eerste Kamer kan bijvoorbeeld niet tevens Minister zijn, omdat hij geacht wordt de door die Minister verdedigde wetsvoorstellen te beoordelen en diens beleid te controleren. Het is aan de (grond)wetgever deze formele incompatibiliteiten eventueel uit te breiden. Zulke incompatibiliteiten kunnen, gelet op het grondwettelijk systeem, immers niet in een Gedragscode integriteit Eerste Kamer worden vastgelegd.
De vraag kan wel gesteld worden of er bepaalde «materiële incompatibiliteiten» zijn, dat wil zeggen functies waarbij leden van de Kamer handelingen en activiteiten verrichten die de schijn van niet-onafhankelijk zijn wekken. Vooruitlopend op een eventuele formele incompatibiliteit ontraadt momenteel de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak rechters lid te zijn van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal. Omgekeerd kan worden opgemerkt dat het gelijktijdig bekleden van het lidmaatschap van de Eerste Kamer en het rechterschap op gespannen voet staat met de gewenste scheiding der machten. Ook vanuit het perspectief van de Eerste Kamer is deze combinatie van functies dus ongewenst. GRECO ontraadt haar dan ook.
Een geval apart vormt de situatie dat leden advieswerk ten behoeve van de regering verrichten. Hierbij kan het gaan om advieswerk voor een Minister, maar ook om advieswerk voor direct onder diens verantwoordelijkheid werkzame departementale ambtenaren. Een Eerste Kamerlid dat zelf tevens ambtenaar bij een ministerie is, wordt in die laatste functie van rechtswege op non-activiteit gesteld (artikel 3 Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement). Het is immers ongewenst als iemand in de ene functie ondergeschikt is aan de Minister en in de andere functie diezelfde Minister moet controleren. Dit geeft aan dat er spanning kan bestaan tussen advieswerk voor de regering en het Kamerlidmaatschap, ook als er van een formele incompatibiliteit geen sprake is. Cruciaal is dat het lid door het advieswerk zijn onafhankelijkheid als controleur van de regering niet op het spel zet. Dat zal doorgaans niet het geval zijn als een Minister een lid van de Kamer informeel consulteert. Als die Minister of diens ministerie echter formeel opdrachtgever van een adviestaak is, kan redelijkerwijs al snel de schijn van niet langer onafhankelijk zijn worden gewekt. Dat kan het geval zijn als het advies moet leiden tot wetsvoorstellen die het adviserende lid in zijn hoedanigheid van lid van de Eerste Kamer weer moet beoordelen. In het licht van het voorgaande wordt het leden die gevraagd worden, persoonlijk of als lid van een adviescommissie, advieswerk voor de regering te verrichten, ontraden dit werk aan te nemen.
Artikel 1
Algemene bepaling
Onderdeel van Gedragscode integriteit Eerste Kamer· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 11 juni 2019