**1.** Ieder lid geeft zich rekenschap van de belangen die hij anders dan als lid van de Kamer heeft en waakt ervoor dat deze belangen niet leiden tot het op oneigenlijke wijze uitoefenen van zijn functie. Een lid onthoudt zich ook van handelingen en activiteiten die de schijn van belangenverstrengeling oproepen.
**2.** Een lid dat schriftelijke inbreng levert of ter vergadering het woord voert, meldt daarbij de belangen die in de context van de behandeling van het geagendeerde onderwerp redelijkerwijs van belang kunnen zijn.
Eerste Kamerleden zijn deeltijdpolitici die doorgaans naast het Kamerlidmaatschap andere functies elders in de maatschappij hebben. Zij staan hierdoor midden in de samenleving en kijken daardoor anders naar wetsvoorstellen en beleid dan leden van de Tweede Kamer, die voltijdpolitici zijn. In het voorgaande is de toegevoegde waarde van de Eerste Kamer (mede) gelegen. De keerzijde van de medaille is echter dat juist door de combinatie van verschillende functies Eerste Kamerleden kunnen worden betrokken in maatschappelijke discussies over belangenverstrengelingen of het wekken van de schijn daarvan. Het hebben van bepaalde belangen vormt op zichzelf beschouwd geen probleem, het gaat erom dat leden van de Eerste Kamer prudent en integer omgaan met die belangen.
Het eerste lid van artikel 2 van deze Gedragscode geeft aan dat leden zich rekenschap dienen te geven van de belangen die zij anders dan als lid van de Kamer hebben en ervoor moeten waken dat deze belangen niet leiden tot het op oneigenlijke wijze uitoefenen van de functie van Kamerlid. Leden dienen zich op grond van de tweede volzin van het eerste lid ook te onthouden van handelingen en activiteiten die de schijn van belangenverstrengeling oproepen. Het begrip «oneigenlijk» in het eerste lid geeft aan dat voor een belangenconflict méér nodig is dan het in algemene zin hebben van een belang bij bepaalde besluitvorming. Anders gezegd, ook Eerste Kamerleden betalen belasting en kunnen aanspraak maken op sociale voorzieningen, maar dat betekent nog niet dat zij daarmee ook een welbepaald belang bij parlementaire besluitvorming over deze onderwerpen hebben. Er is dus geen sprake van een belangenconflict als Eerste Kamerleden alleen als lid van het algemeen publiek of van een bepaalde brede groep mensen van bepaalde besluitvorming profiteren. Er moet echt een specifiek eigen belang aan te wijzen zijn; het belang van het Kamerlid steekt duidelijk boven dat van de overige leden van de samenleving uit.
Het genoemde specifieke eigen belang zal in veel gevallen eerder functioneel dan persoonlijk zijn. Dat wil zeggen dat het belang verbonden is aan de functie die een lid anders dan als lid van de Kamer heeft. Als dit redelijkerwijs de schijn van belangenverstrengeling zou kunnen oproepen, dan dient een lid zich in principe van het behandelen van een dossier, het voeren van het woord of het leveren van schriftelijke inbreng te onthouden. Bij kleine fracties kan dit problemen opleveren; zij dienen dan in elk geval conform het tweede lid te handelen (zie hieronder).
Als een lid of de organisatie waarvoor dit lid werkzaam is materieel voordeel heeft bij een bepaalde besluitvorming en dit lid betrokken is bij deze besluitvorming, dan zal vaak eerder worden aangenomen dat de schijn van belangenverstrengeling wordt opgeroepen. Er kan echter ook sprake zijn van (de schijn van) belangenverstrengeling bij specifieke immateriële eigen belangen. Conform de tweede volzin van het eerste lid is de vraag telkens of bepaalde handelingen of activiteiten van een lid de schijn van belangenverstrengeling oproepen, ongeacht om welke belangen het gaat, functioneel of persoonlijk, materieel of immaterieel.
De schijn van belangenverstrengeling als bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid van artikel 2 moet worden beoordeeld aan de hand van een redelijkheidsmaatstaf. De Engelsen spreken in dit verband van «a reasonable member of the public». Dit is een denkbeeldige, kritische beschouwer van het handelen en de activiteiten van Eerste Kamerleden. De vraag die een lid zich steeds dient te stellen, is of deze redelijk denkende persoon zou oordelen dat in een specifieke casus sprake is van (de schijn van) belangenverstrengeling. Het antwoord op die vraag zal van casus tot casus en van tijdsgewricht tot tijdsgewricht verschillen. Zoals eerder de Tijdelijke commissie GRECO-rapport opmerkte, «Wat moreel nog juist wel en juist niet meer acceptabel is, is onmogelijk voor altijd centraal vast te leggen en dient daarom de uitkomst te zijn van een voortgaand debat».5Kamerstukken I 2013/14, CX, A, p. 9–10. Artikel 2 van deze Gedragscode werkt dan ook noodzakelijkerwijs met een open norm, zoals ook bijvoorbeeld in het privaatrecht wordt gewerkt met begrippen als «redelijkheid en billijkheid» of «goed werkgeverschap».
Het tweede lid van artikel 2 gaat over het kenbaar maken van specifieke belangen die in de context van de behandeling van een bepaald onderwerp redelijkerwijs van belang kunnen zijn. De bepaling beoogt een prudent omgaan met belangen, het betrachten van openheid en het afleggen van verantwoording te stimuleren. Als de organisatie waarvoor een lid werkzaam is bijvoorbeeld in het voortraject over een wetsvoorstel heeft geadviseerd of daar op andere wijze bij betrokken is geweest, zonder persoonlijke betrokkenheid van dit lid, dan is het niettemin raadzaam dit al in de schriftelijke fase te melden. Het betrokken lid heeft immers weliswaar conform artikel 6 van deze Gedragscode zijn functie bij de adviserende organisatie openbaar gemaakt, maar daarmee is nog niet duidelijk dat deze organisatie bij dit wetsvoorstel een rol heeft gespeeld. Het kenbaar maken van belangen in de schriftelijke fase geschiedt in de commissievergadering, zodat dit in de (openbare) korte aantekeningen van de betreffende vergadering kan worden opgenomen.
Met het kenbaar maken van belangen die in de context van de behandeling van het geagendeerde onderwerp redelijkerwijs van belang kunnen zijn wordt geenszins een soort «bekentenis» over belangenverstrengeling afgelegd. Integendeel, met de verklaring kan juist worden aangegeven hoe de belangen liggen en hoe zij elkaar in dit geval níet raken. In dit verband kan nog worden opgemerkt dat het kenbaar maken van relevante belangen zeker voor kleine fracties van belang is. Zij kunnen immers bij (de schijn van) conflicterende belangen vaak geen andere woordvoerder met de behandeling van een bepaald dossier belasten.
Artikel 2
Omgaan met belangen
Onderdeel van Gedragscode integriteit Eerste Kamer· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 11 juni 2019