Bij hun contacten met derden waken leden voor oneigenlijke beïnvloeding. Zij betrachten ten aanzien van deze contacten transparantie.
Contacten met derden (inclusief lobbyisten) horen bij het werk van leden van de Eerste Kamer. Het behoort immers tot de wezenlijke taken van de leden zich rekenschap te geven van de opvattingen die leven bij de diverse groepen in de samenleving en organisaties die worden geraakt door toekomstige wetgeving. Het is aan de fracties en de individuele leden om te bepalen met welke derden zij contacten wensen te onderhouden. Zij beslissen ook naar eigen inzicht en onder eigen verantwoordelijkheid of en hoe zij de uit deze contacten verkregen informatie bij hun parlementaire werk gebruiken.6Aldus eerder ook de Tijdelijke commissie GRECO-rapport, Kamerstukken I 2013/14, CX, A, p. 15. Contacten met derden worden dan ook zeker niet afgeraden. Leden van de Kamer zijn echter geen verlengstuk van groepen en organisaties. Zij maken conform hun vrije mandaat hun eigen afwegingen. Dat geldt zeker als het gaat om informatie die afkomstig is van professionele, en dus betaalde lobbyisten (gespecialiseerde lobbykantoren of lobbyisten in vaste dienst van een bedrijf of maatschappelijke organisatie).
Van leden van de Eerste Kamer mag verder verwacht worden dat zij transparantie betrachten over hun contacten met derden. Dat betekent niet dat al deze contacten geregistreerd en openbaar gemaakt moeten worden. Zo’n «lobby-register» (actieve openbaarheid) zou gelet op de zeer vele contacten met derden die leden onderhouden ook niet uitvoerbaar zijn. Het betekent wel dat leden desgevraagd openheid van zaken geven over welke contacten met derden zij met betrekking tot bepaalde dossiers hebben gehad (passieve openbaarheid).
Artikel 3
Omgaan met derden
Onderdeel van Gedragscode integriteit Eerste Kamer· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 11 juni 2019