In artikel 6b, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb is een subjectieve vrijstelling opgenomen voor lichamen die nagenoeg uitsluitend onderwijs geven en daarnaast voldoen aan de in deze bepaling opgenomen bekostigingseis. Deze bekostigingseis houdt in dat het onderwijs hoofdzakelijk – dat wil zeggen voor tenminste 70% – wordt bekostigd uit publieke middelen, uit wettelijk collegegeld of instellingscollegegeld als bedoeld in hoofdstuk 7, titel 3, pararaaf 2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, uit lesgelden als bedoeld in artikel 3 van de Les- en cursusgeldwet, uit buitenlandse bijdragen die naar aard en strekking overeenkomen met genoemde college- of lesgelden of uit bijdragen van algemeen nut beogende instellingen waarvoor geen contractuele tegenprestatie wordt gevraagd (hierna: toegelaten financieringsmiddelen).
Werkt terug tot en met boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016.
Er zijn bekostigde scholen in het basis- en voortgezet onderwijs die een internationale afdeling hebben. Een internationale afdeling van een bekostigde school staat volledig onder toezicht van de Nederlandse onderwijsinspectie en ontvangt per leerling zowel basisbekostiging als een aanvullende bekostiging vanuit het ministerie van OCW. Omdat deze internationale afdelingen in mindere mate worden bekostigd vanuit de overheid, is aan deze bekostigde scholen de mogelijkheid gegeven om aanvullend een verplichte ouderbijdrage te vragen voor toelating tot het internationale curriculum1Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 795, nr. 3, p. 2–3 en artikel 9 van de Beleidsregel internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs.. Deze verplichte ouderbijdrage is op basis van de grammaticale tekst van de onderwijsvrijstelling geen toegelaten financieringsmiddel. Hierdoor bestaat de kans dat de stichting waarin deze bekostigde scho(o)l(en) met internationale afdeling is(zijn) opgenomen niet in aanmerking komt voor de onderwijsvrijstelling, waardoor – vanuit de wetgever gezien – onbedoeld en ongewenst belastingplicht ontstaat. Ik ben van mening dat de verplichte ouderbijdrage voor toelating tot het internationale curriculum in deze gevallen op één lijn is te stellen met een bijdrage als het wettelijke lesgeld.
Vooruitlopend op een aanpassing van artikel 6b Wet Vpb keur ik goed dat in de in onderdeel 2.1 genoemde situaties de verplichte ouderbijdrage voor de toelating tot een internationale afdeling van een door het ministerie van OCW bekostigde school wordt aangemerkt als toegelaten financieringsmiddel voor de bekostigingseis. Ik keur verder goed dat de verplichte ouderbijdrage voor toelating tot een geaccrediteerde Europese school eveneens wordt aangemerkt als toegelaten financieringsmiddel. Ook voor deze situatie geldt dat de verplichte ouderbijdrage vergelijkbaar is met het wettelijke lesgeld2In de toelichting op de Experimenteerbeschikking Europese School Den Haag (2 november 2011) is beschreven dat een verplichte ouderbijdrage een voorwaarde is om te worden toegelaten tot het primaire onderwijs aan de Europese School Den Haag. Wat betreft het voortgezet onderwijs bevat artikel 9 van de Beleidsregel internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs 2010 de mogelijkheid een ouderbijdrage verplicht te stellen (http://wetten.overheid.nl/BWBR0027776/2012-08-01)., dat de overheid zowel de basisbekostiging als de aanvullende bekostiging biedt en dat sprake is van overheidstoezicht.
Aan deze goedkeuring verbind ik de voorwaarde dat de verplichte ouderbijdrage rechtstreeks wordt betaald aan de onderwijsstichting.
Werkt terug tot en met boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016.
Werkt terug tot en met boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016.
In de praktijk doen zich situaties voor waarbij de verplichte ouderbijdragen voor toelating tot een internationale afdeling van een bekostigde school niet rechtstreeks door de ouders worden betaald aan de onderwijsstichting, maar aan een aparte stichting. Deze stichting betaalt op haar beurt de ouderbijdragen door aan de onderwijsstichting. Deze betalingen zijn daardoor niet meer aan te merken als de betaling van de verplichte ouderbijdragen. Onderwijsstichtingen die hierdoor op het moment van publicatie van dit besluit niet voldoen aan de in onderdeel 2.1 opgenomen goedkeuring krijgen tot 1 januari 2020 de tijd om hun werkwijze zo aan te passen dat zij voldoen aan de eisen zoals vermeld in onderdeel 2.1.
Werkt terug tot en met boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016.
Werkt terug tot en met boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016.
Werkt terug tot en met boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016.
Artikel 2
Onderwijsvrijstelling
Onderdeel van Vennootschapsbelasting, belastingplicht overheidsondernemingen, onderwijsvrijstelling, objectvrijstellingen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 20 juli 2019