In de Wet Vpb zijn objectvrijstellingen voor bepaalde activiteiten van directe overheidsondernemingen opgenomen. Eén van deze vrijstellingen is de vrijstelling voor interne activiteiten. Bij nader inzien blijkt de groep van rechtspersonen voor wie activiteiten kunnen worden verricht in deze vrijstelling te beperkt te zijn omschreven, waardoor de door de wetgever beoogde rechtsvormneutraliteit niet wordt bereikt. Zo kan de Staat zowel privaat- als publiekrechtelijke rechtspersonen oprichten. Deze publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen zich op vergelijkbare wijze tot de Staat verhouden als de privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in artikel 8e, zesde en achtste lid, Wet Vpb. Voor wat betreft de publiekrechtelijke rechtspersonen kan hierbij worden gedacht aan zelfstandige bestuursorganen met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid, publiekrechtelijke rechtspersonen met een wettelijke taak of bepaalde sui generis rechtspersonen die bij wet zijn opgericht en waarvan de bestuurders worden benoemd en ontslagen door de Staat, de minister of bij Koninklijk Besluit. Op basis van de huidige wettekst van de vrijstelling voor interne activiteiten is deze vrijstelling niet van toepassing op de Staat als er vanuit de Staat activiteiten worden verricht voor deze publiekrechtelijke rechtspersonen, terwijl de vrijstelling wel van toepassing zou zijn geweest als deze lichamen naar privaatrecht zouden zijn opgericht.
Artikel 8f Wet Vpb bevat objectvrijstellingen voor privaatrechtelijke overheidslichamen, zoals bijvoorbeeld de quasi-inbestedingsvrijstelling. Ook bij deze vrijstelling moet worden geconstateerd dat de reikwijdte van de vrijstelling te beperkt is omschreven. De quasi-inbestedingsvrijstelling geldt namelijk alleen voor privaatrechtelijke overheidslichamen van publiekrechtelijke rechtspersonen. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld zelfstandige bestuursorganen waaraan publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid is toegekend geen beroep doen op de quasi-inbestedingsvrijstelling.
Werkt terug tot en met boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016.
Werkt terug tot en met boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016.
Op dit moment wordt een wetswijziging voorbereid op basis waarvan volledig door de Staat beheerste publiekrechtelijke rechtspersonen voor de toepassing van de vrijstelling voor interne activiteiten en de quasi-inbestedingsvrijstelling dezelfde behandeling krijgen als de privaatrechtelijke overheidslichamen van een publiekrechtelijke rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 8e, zesde lid, Wet Vpb.
Vooruitlopend op deze wetsaanpassing keur ik met toepassing van de hardheidsclausule goed dat voor de vrijstelling voor interne diensten en de quasi-inbestedingsvrijstelling deze volledig door de Staat beheerste publiekrechtelijke rechtspersonen voor de toepassing van deze objectvrijstellingen op dezelfde wijze worden behandeld als de in artikel 8e, zesde lid, Wet Vpb bedoelde privaatrechtelijke overheidslichamen. Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden:
De goedkeuring is alleen van toepassing op direct bij nationale wet opgerichte publiekrechtelijke rechtspersonen, die uitsluitend bij wet kunnen worden opgeheven en waarvan de bestuurders uitsluitend door de Staat, de minister of bij Koninklijk Besluit kunnen worden benoemd en ontslagen.
Artikel 8e, zevende, achtste en negende lid, Wet Vpb zijn van overeenkomstige toepassing op de volledig door de Staat beheerste publiekrechtelijke rechtspersonen.
Op deze goedkeuring kan geen beroep worden gedaan als de publiekrechtelijke rechtspersoon gebruik maakt van de in artikel 8e, tweede lid, Wet Vpb opgenomen mogelijkheid om af te zien van de toepassing van de objectvrijstelling(en) van artikel 8e, eerste lid, Wet Vpb.
Werkt terug tot en met boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016.
Werkt terug tot en met boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016.
Werkt terug tot en met boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016.
Artikel 3
Publiekrechtelijke overheidslichamen
Onderdeel van Vennootschapsbelasting, belastingplicht overheidsondernemingen, onderwijsvrijstelling, objectvrijstellingen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 20 juli 2019