Algemeen

De Europese vuurwapenpas wordt op verzoek uitgereikt aan de houder van een verlof tot het voorhanden hebben (artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWM), de houder van een jachtakte als bedoeld in de Wet Natuurbescherming of aan iemand die op andere wijze bevoegd is om vuurwapens voorhanden te hebben. De aanvraag van de pas is vormvrij. Op de pas worden uitsluitend vuurwapens vermeld die de aanvrager reeds bevoegd voorhanden heeft.

De te verwerken gegevens mogen zowel met behulp van een computer als handmatig worden ingevoerd.

Voor de meer vanzelfsprekende onderdelen van de vuurwapenpas is een invul-instructie achterwege gelaten.

1 Vermeldingen betreffende de houder (pagina 2)

Deze rubriek is bestemd voor de persoonlijke gegevens van de houder van de pas.

1.1 Naam en voornaam

Op de eerste regel wordt de achternaam van de houder vermeld, gevolgd door een komma. De achternaam wordt onderstreept.

Op de tweede regel worden – voluit – de voornamen van de houder vermeld. Indien de beschikbare ruimte onvoldoende is, kan met het vermelden van de voornamen al op de eerste regel worden begonnen.

1.2 Geboorteplaats en -datum

De geboorteplaats wordt op de eerste regel vermeld. De geboortedatum wordt vermeld op de tweede regel.

1.3 Adres

Op de eerste regel wordt de straatnaam vermeld, gevolgd door het huisnummer. De woonplaats op de tweede regel.

1.4 handtekening en pasfoto

De handtekening moet worden geplaatst in het bijzijn van de ambtenaar die de pas afgeeft. De pasfoto moet gelijkend zijn en wordt met een zogenaamd seal of met holnieten duurzaam bevestigd.

2 Vermeldingen betreffende de pas (pagina 2 en 3)

2.1 Nummer van de pas

De instantie die de vuurwapenpas verleent, bepaalt zelfstandig het nummer (kenmerk) van de pas. Het kenmerk moet zijn te herleiden tot de houder van de pas. Op elke pas wordt één uniek nummer vermeld. De verlenende instantie registreert het uitgegeven nummer, tezamen met de persoonsgegevens van de desbetreffende pashouders.

2.2 Geldig tot

De pas heeft een geldigheidsduur van ten hoogste twaalf maanden. De geldigheidsduur kan vier maal worden verlengd. De pas is dus maximaal vijf jaar als zodanig bruikbaar.

2.3 Stempel van de bevoegde autoriteit en datum

Het stempel dat bij de eerste verlening wordt geplaatst, wordt gedeeltelijk op de pasfoto geplaatst. De datum is die van de dag waarop de pas wordt verleend.

2.4 Geldigheid verlengd tot

De hier in te vullen datum ligt ten hoogste één jaar na de dag van de eerste verlening, respectievelijk laatste verlenging. De geldigheidsduur van de vuurwapenpas kan vier maal worden verlengd, telkens voor ten hoogste één jaar.

2.5 Stempel bevoegde autoriteit en datum

De datum is die van de dag waarop de pas wordt verlengd.

3 Identificerende kenmerken van de vuurwapens (pagina 4 en 5)

In de rubrieken 3.1 tot en met 3.10 worden de vuurwapens vermeld waarop de pas betrekking heeft. Het moet gaan om wapens waarvoor reeds een bevoegdheidsdocument (verlof tot het voorhanden hebben, jachtakte of een ministeriële ontheffing) is verleend. Vuurwapens waarvoor (nog) geen bevoegdheid bestaat kunnen niet ingeschreven worden in de pas.

Er is ruimte voor maximaal 10 vuurwapens. Voor het zeldzame geval dat meer vuurwapens op de pas vermeld moeten worden, is de afgifte van een tweede vuurwapenpas mogelijk.

Door plaatsing van een wapen achter één van de op pagina vier genoemde nummers (3.1, 3.2, 3.3 ... etc) krijgt dat wapen het nummer dat vooraan de desbetreffende regel staat. Dit nummer moet ook op andere plaatsen in de pas worden gebruikt (namelijk in de rubrieken 4, 5, 6.1 en 6.2), zonder dat opnieuw alle gegevens betreffende dat wapen ter plaatse behoeven te worden herhaald.

Het is mogelijk de pas aanvankelijk betrekking te laten hebben op – bijvoorbeeld – slechts één vuurwapen (al naar gelang de wensen van de aanvrager) en die vervolgens in een later stadium uit te breiden. Wanneer een wapen eerst in een later stadium wordt toegevoegd, moet dat blijken uit de datum die is vermeld in de kolom ‘Ingeschreven op’. Per wapen zal de datum moeten worden vermeld waarop het wapen in de pas is ingeschreven.

De pas mag uitsluitend betrekking hebben op wapens die zijn voorzien van een fabricagenummer (serienummer). Het fabricagenummer moet dus worden vermeld. Is een dergelijk nummer niet aanwezig, dan zal de eigenaar, alvorens het wapen op de pas wordt ingeschreven, moeten zorgen voor het laten inslaan van een identificerend nummer door een erkende wapenhandelaar.

Onder ‘Categorie van de Richtlijn’ moet telkens, per wapen, één van de letters A, B, C of D worden ingevuld. Deze letters hebben de volgende betekenis:

  • - A: Verboden wapens
  • - B Vergunningplichtige wapens
  • - C: Aangifteplichtige wapens
  • - D: Andere vuurwapens

Voor de inhoud van de genoemde categorieën wordt hier verwezen naar bijlage 1, onder II, A van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1991 (91/477/EEG).

Per wapen zal moeten worden beoordeeld in welke categorie van de Richtlijn dat wapen valt. Voor de bepaling van de in te vullen letter (A, B, C of D) is dus noch de Nederlandse wetgeving noch die van enige andere lidstaat van de EU van belang. De categorie moet worden bepaald uitsluitend aan de hand van de doorde voornoemde richtlijn gemaakte indeling.

Wijzigingen in het bezit (voorhanden hebben) van het wapen, door bijvoorbeeld overdracht aan een derde, inbewaringgeving bij de politie, verlies of diefstal moeten in de pas worden aangetekend. In de kolom ‘Opmerkingen’ is daarvoor ruimte gereserveerd. Zodra iemand niet meer bevoegd is een in de pas ingeschreven vuurwapen voorhanden te hebben, moet dat wapen in de pas worden doorgehaald. In de kolom ‘Opmerkingen’ wordt de reden van doorhaling vermeld, met toevoeging van de datum, een paraaf van de behandelend ambtenaar en – zo mogelijk ook hier – een stempel.

4 Verwijzing naar de vergunningen betreffende de vuurwapens (pagina 6-10)

Let op: De Pagina’s 6, 7, 8, 9 en 10 zijn identiek. Anders dan in rubriek 3 (identificerende kenmerken van de vuurwapens) loopt de voor een wapen bestemde regel hier dus niet door op de naast gelegen pagina (op pagina 11 begint een nieuwe rubriek)

In rubriek 4 moet worden aangegeven waaraan (aan welke Nederlandse vergunning) de houder van de vuurwapenpas zijn bevoegdheid ontleent om zijn in de pas ingeschreven wapens voorhanden te hebben (de pas zelf roept die bevoegdheid niet in het leven). In de meeste gevallen zal de vuurwapenpas worden verleend aan jagers of sportschutters. In de vuurwapenpas moet in de hier vermelde rubriek (4), een verwijzing worden gemaakt naar het desbetreffende verlof tot het voorhanden hebben, jachtakte of ontheffing waarop het wapen is vermeld.

De in rubriek 4 vermelde nummers verwijzen naar de nummers, genoemd in rubriek 3. Op de twee puntjes achter het cijfer 3 moet in de kolom ‘Wapen’ het vuurwapen gespecificeerd worden door toevoeging van een cijfer (1 t/m 10), dat verwijst naar één van de in rubriek 3 genoemde nummers.

Dit betekent dat in rubriek 4 geen wapens kunnen (en mogen) voorkomen die niet al in rubriek 3 genoemd zijn. Indien in rubriek 3 slechts twee wapens genoemd zijn (3.1 en 3.2) dan komen ook in rubriek 4 slechts twee wapens voor. Ook deze worden in rubriek 4 uiteraard aangeduid met, respectievelijk, 3.1 en 3.2.

In de kolom ‘Datum van de vergunning’ wordt – per wapen – de datum vermeld waarop het verlof tot het voorhanden hebben of de jachtakte of ontheffing voor dat wapen werd verleend. In de kolom

‘Geldig tot’ wordt de laatste dag vermeld waarop het verlof of de jachtakte van kracht is.

Het verlof tot het voorhanden hebben en de jachtakte57Na aanpassing artikel 8 van het Jachtbesluit. zijn vijf jaar geldig. Bij het aanvragen van een verlenging van de vuurwapenpas, na 12 maanden, wordt gecontroleerd of het verlof of de jachtakte nog geldig is. De aanvrager van de verlenging dient het verlofdocument of de jachtakte te tonen.

5 Vergunning van de bezochte Lid-staten (pagina 11-17)

Let op: rubriek 5 wordt door de Nederlandse overheid niet ingevuld.

Deze rubriek is bestemd voor de aantekening van vergunningen (visa) die worden verleend door de autoriteiten van het land waarnaar de houder van de vuurwapenpas zich met zijn wapens begeeft. De gegevens mogen uitsluitend door de bevoegde autoriteit van de desbetreffende lidstaat worden ingevuld, dus niet door de houder van de vuurwapenpas en evenmin door de Nederlandse autoriteiten.

Voor de verkrijging van een buitenlandse vergunning moet de houder van de pas zelf zorg dragen. Hij dient de pas daarvoor, tezamen met een verzoek om een vergunning, te zenden naar de bevoegde autoriteiten in de desbetreffende EU-lidstaat. Uit het verzoek moet blijken op welke in de pas ingeschreven wapens het verzoek betrekking heeft.

6 Inlichtingen betreffende intracommunautaire verplaatsingen (pagina 18-21)

Ingevolge bijlage II bij de Richtlijn is iedere EU-lidstaat verplicht de tekst, zoals die in rubriek 6 van de pas is weergegeven, te vermelden. Volledigheidshalve wordt hier opgemerkt dat de in die (verplichte) tekst gebruikte terminologie op twee punten afwijkt van die in de rest van de pas. Met ‘vak 5’ wordt bedoeld rubriek 5. Met ‘de wapenkaart’ wordt bedoeld: de Europese vuurwapenpas.

De in de tekst aangeduide categorieën (B, C en D) zijn de in bijlage II bij de Richtlijn bedoelde categorieën.

De hoofdregel voor het reizen met een wapen door twee of meer EU-lidstaten is dat telkens een voorafgaande vergunning van de te bezoeken lidstaten vereist is. Deze vergunning kan worden aangetekend in rubriek 5 van de vuurwapenpas. Wordt door de houder van het wapen geen pas aangevraagd dan, dan geldt dat een consent en/of uitvoervergunning moet worden aangevraagd.

Uit de in rubriek 6 vermelde tekst blijkt dat – in afwijking van het vorenstaande – jagers en sportschutters vrij met hun wapens door de EU mogen reizen. Voorwaarde daarvoor is dat zij in het bezit zijn van een Europese vuurwapenpas voor die wapens en de reden van hun reis (d.m.v. een uitnodiging) kunnen aantonen. De faciliteit voor jagers geldt slechts voor wapens van categorie C en D van de richtlijn. Voor sportschutters is de faciliteit beperkt tot wapens van de categorieën B, C, en D.

Het is de EU-lidstaten echter toegestaan de hier beschreven faciliteit niet toe te passen. Zij mogen dus ook voor jagers en sportschutters het strengere regime (de hoofdregel) van voorafgaande vergunning laten gelden. Ook is het mogelijk dat zij het naar hun grondgebied overbrengen van een bepaald soort of type wapen geheel verbieden. Indien dat het geval is, stellen zij de overige lidstaten daarvan in kennis. Die overige lidstaten zijn vervolgens verplicht één en ander in de rubrieken 6.1 en 6.2 te vermelden. De in te vullen gegevens zijn afhankelijk van de wapens die in de pas zijn ingeschreven. Het is om deze reden dat de invulling van die gegevens aan de korpschef is opgedragen.

6.1 Verboden wapens (pagina 18 en 19)

Rubriek 6.1 bevat een opsomming van de EU-lidstaten. Achter de naam van iedere lidstaat is tienmaal het cijfer 3 (gevolgd door twee puntjes) vermeld. Aan dit cijfer moet – op de puntjes – een ander cijfer (1 t/m 10) worden toegevoegd, zodat een nummer ontstaat dat correspondeert met de in rubriek 3 vermelde nummers.

Indien in rubriek 3 (bijvoorbeeld) slechts twee vuurwapens zijn vermeld, worden ook in rubriek 6 slechts twee vuurwapens aangeduid (met het oog op eventuele latere uitbreiding van de pas vindt geen doorhaling plaats van de niet gebruikte nummers).

Vorenstaande procedure vindt slechts plaats indien bekend is dat de lidstaat de overbrenging van één van de in rubriek 3 vermelde wapens naar zijn grondgebied verbiedt. Indien bijvoorbeeld Spanje de overbrenging van pistolen naar zijn grondgebied zou verbieden en in rubriek 3 van de vuurwapenpas is een pistool vermeld, dan wordt het met dit pistool corresponderende nummer (bijvoorbeeld 3.2) vermeld in rubriek 6.1 (uiteraard alleen achter ‘Spanje’ tenzij ook andere landen pistolen verbieden). Van elk in rubriek 3 ingeschreven wapen moet dus – per lidstaat – worden beoordeeld of dat wapen in dat land verboden is.

6.2 Vergunning plichtige wapens (pagina 20-21)

De onder 6.1 beschreven procedure voor verboden wapens, dient eveneens te worden toegepast op vergunning plichtige wapens. De indeling en invulling van rubriek 6.2 is verder gelijk aan die van rubriek 6.1. Ook hier geldt dat moet worden uitgegaan van de door de lidstaten verstrekte gegevens. Van elk in rubriek 3 ingeschreven wapen moet dus – per lidstaat, aan de hand van de door die lidstaat verstrekte gegevens – worden beoordeeld of dat wapen in dat land aan een voorafgaande vergunning is onderworpen.