De officier van justitie is op grond van artikel 226g, eerste lid, Sv bevoegd tot het doen van een toezegging aan een getuige die tevens verdachte of veroordeelde is en die bereid is een verklaring af te leggen in een strafzaak tegen een (andere) verdachte, indien de verklaring betrekking heeft op een of meer van de volgende strafbare feiten:
misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv die gepleegd zijn in georganiseerd verband of gezien hun aard en de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren;
misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.
De officier van justitie kan pas tot het maken van een afspraak met de kroongetuige overgaan, indien deze afspraak dringend noodzakelijk is voor de opsporing, daaronder begrepen het voorkomen of het beëindigen van strafbare feiten en/of het vervolgen ervan. Het moet aannemelijk zijn dat de getuigenverklaring niet zonder toezegging van de zijde van het OM kan worden verkregen.4HR 6 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1473, NJ 1999, 565 (Karman).
Bij de beoordeling van de proportionaliteit betrekt de officier van justitie de verhouding tussen:
het belang van de verklaring enerzijds en het gewicht van de toezegging anderzijds;
de aard van het strafbare feit waarover de getuige verklaart en dat van het strafbaar feit waarvoor hij wordt vervolgd.
Bij de beoordeling van de subsidiariteit beziet de officier van justitie of de feiten waarover de getuige wil verklaren, niet of niet tijdig met andere opsporingsmethoden kunnen worden opgespoord, voorkomen, beëindigd en/of vervolgd.
Artikel 3
Wanneer toezegging?
Onderdeel van Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juni 2020