De officier van justitie mag geen toezeggingen doen met betrekking tot:5Kamerstukken II 2004/05, 28 017 en 26 294, nr. 8.
de inhoud van de tenlastelegging (zogenoemde plea-bargaining, bijvoorbeeld over het aantal op te nemen feiten in de dagvaarding en de zwaarte daarvan);
het in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid afzien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten (een toezegging die strekt tot het staken van de opsporing of tot een sepot na afsluiting van het opsporingsonderzoek in afwijking van het bestaande vervolgingsbeleid, is derhalve niet toegestaan);
het in Nederland ondergaan van een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf in het kader van de WOTS of de WETS (hiertoe is o.a. toestemming nodig van het land waarin de betrokkene is gedetineerd; de officier van justitie is niet bevoegd);
het geven van een financiële beloning;
(het afzien van het vorderen van) bijkomende straffen en maatregelen;
het geheel of gedeeltelijk achterwege laten van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing;6HR 6 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1473, NJ 1999, 565 (Karman).
het begunstigen van anderen dan de getuige, zoals diens levenspartner;
het treffen van getuigenbeschermingsmaatregelen, anders dan de toezegging dat de officier van justitie zal bevorderen dat zo nodig maatregelen ter bescherming van de getuige in opdracht van het College van procureurs-generaal op grond van het Besluit getuigenbescherming zullen worden getroffen.
Artikel 5
Niet toelaatbare toezeggingen
Onderdeel van Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juni 2020