Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Afdeling 4.2 › § 4.2.6

Artikel 4.16

(gedoogplichtbeschikking, concessie en schadevergoeding)

Onderdeel van Invoeringswet Omgevingswet· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024

1. Een gedoogplichtbeschikking die onherroepelijk is, geldt als een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in afdeling 10.3 van de Omgevingswet als de grondslag ervan ligt in de artikelen, bedoeld in artikel 4.2, onder a tot en met f en h tot en met r. 2. Een concessie als bedoeld in artikel 71 in samenhang met artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet die onherroepelijk is, geldt als een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in artikel 10.14, aanhef en onder e, van de Omgevingswet. 3. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet schade is ontstaan als gevolg van de te gedogen handeling als bedoeld in: de artikelen 9 en 10 van de Waterstaatswet 1900, de artikelen 8.51 en 17.11 van de Wet milieubeheer, artikel 8a.6 van de Wet luchtvaart, de artikelen 24 en 25 van de Spoorwegwet, artikel 8 van de Wet lokaal spoor, artikel 4 van de Mijnbouwwet, artikel 24 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, en artikel 4.2, met uitzondering van onderdeel o, blijft het oude recht van toepassing op een vordering tot schadevergoeding die is ingesteld binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet en bij toewijzing van die vordering, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel