In verrekenprijszaken kan belastingheffing in strijd met het verdrag worden weggenomen als de bevoegde inspecteur positief beslist op een verzoek om een corresponderende correctie.
De inspecteur beslist dan op basis van de Nederlandse wet en regelgeving (inclusief verdrag) of Nederland unilateraal terugtreedt. Afhankelijk van de fase waarin de aanslagregeling is, kan het verzoek de vorm aannemen van:
een verzoek tot aanpassing eigen aangifte;
bezwaar tegen de aanslag;
een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag.
De inspecteur zal beoordelen of vermindering dient te worden aangebracht. De inspecteur dient alle verzoeken voor te leggen aan de CGVP voor bindend advies. Als de inspecteur negatief beslist op het verzoek kan de belanghebbende als hij zich in fase van aanslagregeling of bezwaarfase bevindt nog nationale rechtsmiddelen aanwenden. Naast de nationale rechtsmiddelen is het in alle gevallen mogelijk om een onderlinge overlegprocedure aan te vragen, mits aan de (termijn)vereisten is voldaan.
Het komt regelmatig voor dat een andere staat een correctie aanbrengt op een moment dat de corresponderende Nederlandse heffing al onherroepelijk vaststaat.
De belanghebbende kan dan verzoeken om een corresponderende correctie. Als de inspecteur concludeert dat de buitenlandse correctie terecht is, dan kan hij de corresponderende correctie zelf aanbrengen. Het is dan niet meer nodig een overlegprocedure op te starten. Over het algemeen zal de corresponderende correctie inhouden dat de inspecteur de Nederlandse belastingaanslag ambtshalve vermindert.
Ambtshalve vermindering is in de regel beperkt tot een periode van vijf jaar. De vraag kan dan opkomen of de correctie ook buiten de verjaringstermijn kan worden aangebracht, zoals na een overlegprocedure doorgaans mogelijk is (zie hoofdstuk 6). Ook als de inspecteur de corresponderende correctie zelf aanbrengt, is het gewenst om buiten de vijfjaarstermijn ambtshalve vermindering te kunnen verlenen. Het is immers niet passend om een corresponderende correctie achterwege te laten en (dubbele) heffing in strijd met een belastingverdrag in stand te laten, uitsluitend vanwege een nationale verjaringstermijn, met name als de correctie wel mogelijk is ter uitvoering van de uitkomst van een overlegprocedure (zie genoemd hoofdstuk 6). Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de inspecteur bij het aanbrengen van een corresponderende correctie ambtshalve vermindering kan verlenen ongeacht de vijfjaarstermijn.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:
belanghebbende heeft het verzoek om een corresponderende correctie redelijkerwijs niet binnen de vijfjaarstermijn kunnen doen, bijvoorbeeld, omdat de correctie in de andere staat buiten de vijfjaarstermijn plaatsvond;
belanghebbende had op het moment van het indienen van het verzoek om een corresponderende correctie toegang tot de onderlinge overlegprocedure;
een onderlinge overlegprocedure zou tot dezelfde uitkomst hebben geleid, in die zin dat de Nederlandse bevoegde autoriteit de corresponderende correctie zonder nader overleg met de andere staat voor dat bedrag zou hebben toegestaan omdat op voorhand vaststaat dat de buitenlandse correctie gebaseerd is op de juiste toepassing van het verdrag.
Indien aan de bovenstaande criteria niet wordt voldaan of daar twijfel over bestaat dan kan alleen via de route van de overlegprocedure, mits deze nog openstaat, mogelijk een oplossing voor de dubbele belasting gevonden worden.
Het kan voorkomen dat een Nederlandse belanghebbende zowel inkomende als uitgaande (samenhangende) transacties met verbonden entiteiten in verschillende staten aangaat. Indien in een dergelijke situatie in een onderlinge overlegprocedure wordt overeengekomen dat de voorwaarden (waaronder de prijs) van één van deze transacties wordt aangepast, kan dit ertoe leiden dat de winst van de Nederlandse belanghebbende als zodanig niet langer als ‘at arm’s length’ overeenkomstig art. 8b Wet VPB kan worden beschouwd. Dit zal zich met name voordoen in situaties waarin de Nederlandse belanghebbende de ‘minst complexe entiteit’ is waaraan een beperkte winst toekomt. Nederland zal de dubbele belasting niet kunnen oplossen zonder dat de derde staat bij het overleg wordt betrokken.
Een belanghebbende dient in dergelijke gevallen daarom de andere derde staat in het verzoek te betrekken en ook in die staat een verzoek om een onderlinge overlegprocedure in te dienen. In dat geval zal de Nederlandse bevoegde autoriteit zich ervoor inspannen beide staten bij het overleg te betrekken teneinde de dubbele belasting zoveel mogelijk te voorkomen.
Als maar twee staten bij het overleg betrokken zijn, kan Nederland in het kader van de onderlinge overlegprocedure een overeenkomst sluiten over de ‘at arm’s length’ voorwaarden van de transactie(s) met één staat. Daarmee is het geschil tussen Nederland en die andere staat opgelost en wordt de desbetreffende onderlinge overlegprocedure afgerond.
Wanneer Nederland de uitkomst aan de belanghebbende voorlegt zal in het laatste geval aan de belanghebbende worden gevraagd om akkoord te gaan met de bereikte oplossing van het geschil tussen de twee staten en met het volgende gegeven: Nederland zal bij de implementatie van de oplossing slechts een corresponderende correctie toepassen voor zover de ‘at arm’s length’ winst overeenkomstig art. 8b Wet VPB in relatie tot de betreffende (samenhangende) transacties in stand blijft. Dit betekent dat voor zover de voorwaarden van de transacties die zijn overeengekomen in de onderlinge overlegprocedure zouden leiden tot een winst van de Nederlandse belanghebbende die niet als ‘at arm’s length’ kan worden aangemerkt, Nederland de belastbare winst niet vermindert. Bij de implementatie van de uitkomst vindt daarom een interne saldering plaats waarbij de (samenhangende) transactie met de andere staat wordt betrokken. De berichtgeving aan belastingplichtige hierover kan dienen als het aanknopingspunt (de eerste kennisgeving) voor het starten van een onderlinge overlegprocedure met de staat waarmee de samenhangende transactie plaatsvindt, maar die eerder niet bij het overleg is betrokken. Op verzoek van belanghebbende zal de Nederlandse bevoegde autoriteit een onderlinge overlegprocedure met deze derde staat beginnen.
Artikel 8
Corresponderende correctie
Onderdeel van Besluit Onderlinge overlegprocedures· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 23 juni 2020