Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MVV per zorgverzekeraar met betrekking tot:
de leeftijd op het VPPKB 2019;
de kosten op declaraties kosten verpleging en verzorging 2016 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer, tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
de kosten op declaraties kosten verpleging en verzorging 2017 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer, tot en met 31 december 2019, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
de kosten op declaraties kosten verpleging en verzorging 2018 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
Het VPPKB 2018.
Het Zorginstituut herleidt de percentages van de MVV klassen tot drempelbedragen.
Het Zorginstituut bepaalt op basis van de som van de declaraties, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c en d, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2019 per verzekerde in welke MVV klasse de verzekerde valt. Het Zorginstituut stelt voor de klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
In afwijking van het vorige lid deelt het Zorginstituut verzekerden jonger dan achttien jaar voor wie de kosten bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, tot de top 0,25% behoren, in de MVV klasse ‘Kosten V&V voorafgaand jaar in top 0,25%; 0-17 jaar’.
Voor verzekerden met kosten gelijk aan het drempelbedrag verdeelt het Zorginstituut met inachtneming van artikel 9, tiende lid, van de Regeling de zwaarte van 1 naar rato over de betreffende klassen.
Indien de percentielgrens gelijk is aan nul euro deelt het Zorginstituut, met inachtneming van artikel 9, elfde lid, van de Regeling, verzekerden met kosten op de percentielgrens in bij de klasse ‘Geen MVV’.
Het Zorginstituut deelt, met inachtneming van artikel 9, zevende lid van de Regeling, verzekerden van achttien jaar en ouder in een Wlz-instelling in in de klasse ‘Geen MVV’.
Het Zorginstituut koppelt de verzekerden voor het criterium MVV aan het VPPKB 2019. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2020 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MVV’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen MVV’.
Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van de vorige leden het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MVV naar de macroverzekerdenraming en stemt de relatieve prevalentie per klasse af op de Overall Toets 2021 met WOR nummer 1001, zoals die op 13 augustus 2020 aan de minister van VWS is gerapporteerd.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.15
MVV
Onderdeel van Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2021· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 24 oktober 2020