De strafeis is zo veel mogelijk ondersteunend aan andere interventies binnen de systeemgerichte aanpak (zie de Aanwijzing huiselijk geweld en kindermishandeling).
Zo kan ter zitting ter ondersteuning van de hulpverlening aan het/de slachtoffer(s) het opleggen van een straatverbod of contactverbod als bijzondere voorwaarde of als afzonderlijke vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr) worden gevorderd. Bij beide opties kan, als wordt voldaan aan de daarvoor geldende criteria, de dadelijke uitvoerbaarheid worden gevraagd. Bij een voorwaardelijk strafdeel kan voorts gedacht worden aan de mogelijkheid om een langere proeftijd te vragen (artikel 14 b lid 2 Sr).
Een geldboete of een werkstraf zijn onwenselijke straffen in huiselijk geweld zaken. Een geldboete drukt veelal op het gezinsbudget. Ook een kale werkstraf biedt geen oplossing voor de veelal aanwezige achterliggende problematiek. Deze beide strafmodaliteiten moeten in beginsel worden vermeden bij de afdoening van huiselijk geweldzaken.
De omstandigheid dat partijen uit elkaar zijn is niet strafverlagend; onbehandelde problematiek kan zich ook tegen een nieuwe partner keren.
Werkt de verdachte niet mee aan rapportage of wordt toezicht geweigerd, dan dient dit te leiden tot verhoging van het onvoorwaardelijke strafdeel.
Indien het op te leggen toezicht ook het volgen van een training inhoudt, die een aanzienlijk aantal uren in beslag zal nemen, dan kan hiermee in het voordeel van verdachte rekening worden gehouden in het te eisen onvoorwaardelijke deel van de straf.
Heeft verdachte gedurende een schorsingstoezicht dan wel in een vrijwillig kader meegewerkt aan toezicht en/of daderhulpverlening dan kan hiermee in het voordeel van verdachte rekening gehouden worden.
Artikel 3
Uitgangspunten strafeis op zitting
Onderdeel van Richtlijn voor strafvordering huiselijk geweld· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 1 maart 2021