Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Tenuitvoerlegging

Onderdeel van Aanwijzing tbs bij vreemdelingen· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2021

De tbs neemt een aanvang op de datum waarop de beslissing tot oplegging onherroepelijk is geworden. Bij een combinatiestraf wordt eerst de gevangenisstraf ten uitvoer gelegd. De tbs vangt dan in beginsel aan op de v.i.-datum. Bij vreemdelingen die geen bestendig rechtmatig verblijf (meer) hebben is dat echter anders omdat zij niet in aanmerking komen voor v.i.. Bij hen vangt de tbs aan op de datum waarop de gevangenisstraf eindigt, tenzij de procedure is gevolgd zoals hierboven beschreven onder in § 2.3.4. De eerste termijn van de tbs duurt in alle gevallen twee jaar en kan daarna op vordering van het OM worden verlengd steeds hetzij met één jaar hetzij met twee jaar. Ook bij de verlenging is het zaak om actuele informatie over de verblijfsstatus op te vragen bij de IND. Bij het al dan niet vorderen van de verlenging van de tbs dient getoetst te worden aan het gevaarscriterium, de aanwezigheid van een stoornis en de proportionaliteit en subsidiariteit. Volgens art. 38d lid 2 Sr moet de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid voor personen of goederen de verlenging eisen. Omdat de termen 'anderen' en 'personen' ook zien op personen die zich buiten het Nederlandse grondgebied bevinden7ECLI:NL:GHARL:2013:4877., dient bij tbs-gestelde vreemdelingen ook getoetst te worden of sprake is van delictgevaar bij een eventuele terugkeer naar het land van herkomst van de vreemdeling, gerelateerd aan de opvang en hulpverlening in het betreffende land. Tijdens de behandeling zal daarom ook onderzocht worden of repatriëring (overdracht of beëindiging van de tbs) mogelijk is. Deze informatie kan van belang zijn ter onderbouwing van de vordering tot verlenging. Het is daarom raadzaam om bij de DJI hiernaar te informeren. De behandeling in het FPC is voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf voornamelijk gericht op stabilisatie en vermindering van de delictgevaarlijkheid, met als doel een veilige repatriëring. Om de tbs-behandeling niet langer dan noodzakelijk te laten voortduren, wordt ingezet op voortvarende repatriëring. Daartoe kan het OM twee trajecten bewandelen. Dat zijn: de overdracht van de tenuitvoerlegging van de tbs naar het land van herkomst ingevolge de WOTS of de WETS door DJI/IOS; het vorderen van de beëindiging van de tbs-maatregel bij de rechter (art. 6:6:10b Sv). Bepalend voor de keuze tussen deze opties is enerzijds of overdracht op basis van de WOTS of de WETS mogelijk is in het specifieke geval en anderzijds de snelheid waarmee de repatriëring gerealiseerd kan worden. De tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel (al dan niet gecombineerd met een gevangenisstraf) kan in bepaalde gevallen worden overgedragen naar het land van herkomst van de tbs-gestelde op basis van de WOTS of de WETS. Het initiatief voor een overdracht op basis van de WOTS of de WETS ligt bij het CJIB/AICE. Veelal zal het CJIB/AICE hiertoe uitgenodigd worden door DJI/IOS op basis van informatie uit het brede overleg over vreemdelingen in de TBS. DJI/IOS zal de officier van justitie benaderen voor een Advies OM. In het Advies OM dient aandacht te worden besteed aan de vraag of lopende onderzoeken, lopende strafzaken en het belang van slachtoffers aan overdracht in de weg staan. DJI/IOS handelt de aanvragen voor overdracht af. De Minister van Justitie en Veiligheid kan op grond van art. 6:2:18 Sv de repatriëring initiëren. Wanneer het FPC aan de Minister meldt dat in het land van herkomst een passende voorziening beschikbaar is, die gericht is op vermindering van de stoornis en het daarmee samenhangende recidivegevaar, kan de Minister de tbs-maatregel beëindigen onder de voorwaarde dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert (art. 6:2:18 Sv). In zo’n geval kan de Minister het bericht van het FPC doorzenden aan de officier van justitie die bevoegd om de verlenging van de tbs te vorderen, met het verzoek te adviseren ten behoeve van de besluitvorming door de Minister8DJI/DIZ is bevoegd namens de Minister.. Daarnaast kan de officier van justitie tijdens de looptijd van de tbs-maatregel het initiatief nemen voor de beëindiging van de tbs-maatregel door op basis van artikel 6:6:10b Sv een vordering bij de rechter in te dienen tot beëindiging van de tbs onder de voorwaarde dat de betrokkene Nederland verlaat en niet naar Nederland terugkeert. Aanleiding voor het indienen van deze vordering is in de regel de informatie van het FPC waarin wordt aangegeven dat er een passende voorziening in het land van herkomst beschikbaar is. De vordering ex artikel 6:6:10b Sv kan op elk moment gedurende de looptijd van de tbs-maatregel worden ingediend. Wanneer de beëindiging (zo goed als) samenvalt met het moment waarop de verlenging van de tbs aan de orde komt, dient tevens een vordering tot verlenging te worden ingediend teneinde een latere herleving mogelijk te maken9ECLI:NL:RBSGR:2010:BO8868.. Overigens kan de rechter ook ambtshalve besluiten tot beëindiging van de tbs onder de bovengenoemde voorwaarde. Indien een vreemdeling na een beëindiging van de tbs op grond van artikel 6:2:18 of 6:6:10b Sv, in strijd met de voorwaarde terugkeert naar Nederland, herleeft de maatregel. De (resterende) tbs gaat lopen op het moment dat de betrokkene is aangehouden. Let op: in zo’n geval dient echter wel een vordering tot voorlopige hervatting en hervatting van de verpleging te worden ingediend (art. 6:6:10b lid 2 Sv) (zie 3.3.1). In de meeste gevallen zal de (vreemdelingen)politie of de Koninklijke Marechaussee het overtreden van de voorwaarde signaleren. Vervolgens wordt de officier van justitie van het executerend parket hierover geïnformeerd. De officier van justitie gelast dan in alle gevallen de aanhouding op basis van artikel 6:3:15 Sv en dient een vordering tot voorlopige hervatting van de verpleging in bij de rechter-commissaris en een vordering tot hervatting van de verpleging bij de rechtbank die in eerste aanleg kennis genomen heeft van het misdrijf ter zake waarvan de tbs is gelast (art. 6:6:1 Sv). Wanneer een vordering tot hervatting van de verpleging wordt ingediend binnen vier maanden voor het tijdstip waarop de tbs door tijdsverloop eindigt, kan tevens een vordering tot verlenging van de tbs worden ingediend (art. 6:6:11 lid 2 Sv). Als de rechtbank vervolgens de vordering tot hervatting van de verpleging afwijst, eindigt de herleefde tbs van rechtswege (art. 6:6:10b lid 3 Sv). Wanneer de rechtbank de vordering tot hervatting toewijst, zal de verpleging weer een aanvang nemen. De tbs-gestelde wordt dan weer in een FPC geplaatst. Tegen de beslissing van de rechtbank is appel mogelijk bij de Penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (art. 6:6:15 Sv).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel