Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Beroep bij de rechtbank

Onderdeel van Besluit Beroep in Belastingzaken· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 7 april 2021

Als een bezwaarschrift een verzoek bevat om in te stemmen met rechtstreeks beroep, geeft de inspecteur daaraan gevolg als hij de zaak daarvoor geschikt acht (artikel 7:1a Awb). Als hoofdregel geldt dat eerst de bezwaarprocedure wordt gevolgd. De zaak is alleen geschikt voor rechtstreeks beroep als in de primaire fase een zodanig uitputtende gedachtewisseling tussen inspecteur en belanghebbende heeft plaatsgevonden, dat de bezwaarprocedure daaraan weinig of niets meer kan toevoegen, terwijl ook vaststaat dat het besluit nog altijd in geschil is. Het feitencomplex moet nauwkeurig zijn vastgesteld, omdat door de inspecteur geen feitenonderzoek meer kan worden gedaan als de zaak onder de rechter is. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin een besluit nauw samenhangt met een besluit waartegen al beroep is ingesteld. De zaak is in ieder geval niet geschikt voor rechtstreeks beroep als – in meerpartijengeschillen – niet alle indieners van een bezwaarschrift om het overslaan van de bezwaarprocedure hebben verzocht. Op het verzoek wordt niet beslist door de medewerker die het bestreden besluit genomen heeft. Voordat op het verzoek wordt beslist, vindt een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken vaktechnisch coördinatoren. Als de inspecteur instemt met het verzoek om rechtstreeks beroep te mogen instellen, zendt hij het bezwaarschrift, met daarop aangetekend de dagtekening van ontvangst, onverwijld door aan de bevoegde rechter. Als de inspecteur de zaak niet geschikt acht voor rechtstreeks beroep wijst hij het verzoek af. De inspecteur neemt de afwijzing in de beslissing op het bezwaarschrift op. Behoudens in de gevallen waarin van horen wordt afgezien omdat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is deelt hij bovendien de beslissing uiterlijk tegelijkertijd met de uitnodiging voor de hoorzitting aan de verzoeker schriftelijk mede. Behoudens in de in de paragrafen 2.2.3, tweede lid, en bedoelde gevallen, zendt de inspecteur binnen vier weken na de dag van toezending van de gronden van het beroepschrift door de rechtbank de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en dient hij, overeenkomstig paragraaf 2.2.5 van dit besluit, in beginsel een verweerschrift in. Ter bevordering van de kwaliteit en de eenheid van beleid en uitvoering vindt op de inhoud van het verweerschrift een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken vaktechnisch coördinatoren. Daarbij wordt (nogmaals) beoordeeld of er sprake is van een rechtsvraag als bedoeld in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Als het geschil een rechtsvraag betreft die niet aan een kennisgroep is voorgelegd, legt de inspecteur door tussenkomst van de betrokken vaktechnisch coördinator de rechtsvraag alsnog onverwijld voor aan de betreffende kennisgroep. Als de inspecteur zich geheel kan verenigen met de door belanghebbende opgeworpen gronden probeert hij met belanghebbende overeen te komen dat deze zijn beroepschrift intrekt onder de voorwaarde dat het bestreden besluit ambtshalve verminderd of vernietigd zal worden. De inspecteur probeert daarbij met belanghebbende tot overeenstemming te komen over de vergoeding van de proceskosten van belanghebbende overeenkomstig artikel 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat de rechtbank niet meer een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, Awb hoeft uit te spreken. De inspecteur kan ambtshalve vermindering of teruggaaf verlenen voor zover hij zich kan verenigen met de door belanghebbende opgeworpen gronden. De inspecteur kan daarbij aanleiding zien voor een vergoeding van de proceskosten van belanghebbende overeenkomstig artikel 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht. De inspecteur verstrekt de rechtbank zo spoedig mogelijk een afschrift van zijn beslissing. Als belanghebbende zijn beroep intrekt zonder dat de inspecteur aan de gronden van belanghebbende is tegemoetgekomen, kan de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoeden. Het griffierecht wordt niet vergoed als er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door belanghebbende, zoals (herhaald) lichtvaardig procederen. Als de inspecteur door bijzondere omstandigheden niet in staat is het verweerschrift in te dienen binnen vier weken na de dag van toezending van de gronden van het beroepschrift door de rechtbank, kan hij de rechtbank schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. De inspecteur gaat hier zeer terughoudend mee om en verzoekt alleen om verlenging na toestemming van de betrokken vaktechnisch coördinator en het verantwoordelijke afdelingshoofd. Van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het eerste lid is bijvoorbeeld sprake als de behandelend medewerker niet beschikbaar is en deze niet kan worden vervangen. In het verweerschrift geeft de inspecteur een zelfstandig leesbare uiteenzetting van de feiten en van de beschouwing waartoe die feiten volgens hem aanleiding geven, zodat ook zonder raadpleging van andere stukken de zienswijze van de inspecteur duidelijk en volledig tot uitdrukking komt. In het verweerschrift behandelt de inspecteur in ieder geval de volgende punten: de ontvankelijkheid van het beroep; de feiten; een (beknopt) overzicht van de geschilpunten; een omschrijving van de in het beroepschrift vervatte grieven en de zienswijze van de inspecteur met betrekking tot deze grieven; de feiten die de algemene bewijsregels opzijzetten en een bijzondere bewijsregeling (zoals omkering bewijslast) tot gevolg hebben en de motivering daarvan; de gevraagde proceskostenvergoeding; de conclusie van de inspecteur. Zo nodig neemt de inspecteur subsidiaire verweren en subsidiaire conclusies in het verweerschrift op. De overgelegde stukken worden in het verweerschrift vermeld. Naar niet gepubliceerde uitspraken verwijst de inspecteur alleen als deze als geanonimiseerde bijlage worden overgelegd. Overlegging geschiedt in overeenstemming met artikel 27g AWR. Tot de over te leggen ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ (artikel 8:42 Awb) behoren in ieder geval: een gespecificeerde opgaaf van de gegevens van de aangifte als deze is gedaan. Bij procedures over de erf- of schenkbelasting kan, als de aangifte zeer omvangrijk is, worden volstaan met een uittreksel uit de aangifte van de in geding zijnde onderdelen; een kopie van de belastingaanslag, althans het bestreden besluit of een gespecificeerde opgaaf van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Bij procedures tegen een grote hoeveelheid overeenkomstige belastingaanslagen kan worden volstaan met één voorbeeld-aanslag; een afschrift van het bezwaar- of verzoekschrift; een afschrift van de uitspraak dan wel een afschrift van de kennisgeving waarin de beslissing op het bezwaar- of verzoekschrift wordt gemotiveerd (in de gevallen waarin dit van toepassing is); alle andere stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan of hem op enig moment ter beschikking komen en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672). De inspecteur kan gewichtige redenen (artikel 8:29 Awb) hebben om een op de zaak betrekking hebbend stuk niet (volledig) te overleggen, zoals wanneer het belang dat de belanghebbende heeft bij het (volledig) overleggen van het stuk, niet opweegt tegen het algemene belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen of van de opsporing en vervolging van strafbare feiten (artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur). De rechter kan aan deze weigering de gevolgen verbinden die hem geraden voorkomen (artikel 8:31 Awb). Na ontvangst van het afschrift van de conclusie van repliek, dient de inspecteur, binnen de door de rechtbank gestelde termijn, in beginsel een conclusie van dupliek in. Als de inspecteur door bijzondere omstandigheden niet in staat is de conclusie van dupliek in te dienen binnen de door de rechtbank gestelde termijn, kan hij de rechtbank schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. Paragraaf 2.2.4 is van overeenkomstige toepassing. In de conclusie van dupliek reageert de inspecteur op de in de conclusie van repliek naar voren gebrachte punten. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van dupliek een doublure wordt van het verweerschrift. Waar nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van dupliek naar de relevante punten van het verweerschrift. De inspecteur verschijnt altijd ter zitting wanneer hij een oproep voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft ontvangen. Dit geldt ook als de oproep betrekking heeft op de behandeling van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. De inspecteur laat zich in beginsel op een zitting van de rechtbank door een andere medewerker van de Belastingdienst vergezellen. Zo mogelijk wordt bij indiening van het verweerschrift gemeld welke medewerkers van de Belastingdienst ter zitting aanwezig zullen zijn. Het vorige lid is niet van toepassing op verzetprocedures. Het afdelingshoofd wijst binnen zijn organisatieonderdeel ambtenaren aan die naar zijn oordeel deskundig zijn op het gebied van procesvoering. Bij de zitting van de rechtbank is één van deze deskundigen aanwezig, hetzij als inspecteur, hetzij ter bijstand. De aanwezigheid van een procesdeskundige ter zitting is niet vereist: in verzetprocedures; als zowel de inspecteur als de procesdeskundige van oordeel is dat de aanwezigheid van laatstgenoemde ter zitting geen toegevoegde waarde heeft, en de vaktechnisch coördinator formeel recht dit heeft goedgekeurd. De inspecteur legt de besluitvorming hierover vast in het dossier. De inspecteur kan op voorstel van de rechtbank instemmen met het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. De inspecteur stemt in als de feiten en omstandigheden voldoende vaststaan (er is sprake van een zuivere rechtsvraag) en een mondelinge behandeling geen toegevoegde waarde heeft. De inspecteur stemt zijn besluit af met de betrokken vaktechnisch coördinatoren. Belastingzaken vinden vanwege de geheimhoudingsplicht plaats achter gesloten deuren. De rechter kan bepalen dat een zitting openbaar is. De belanghebbende of zijn gemachtigde kan verzoeken om derden de zitting te laten bijwonen. Het is gebruikelijk dat de rechter dan een reactie van de inspecteur vraagt alvorens op het verzoek te beslissen. Gelet op het karakter van een massaalbezwaarprocedure, die per definitie een grote groep belastingplichtigen raakt, stemt de inspecteur met name voor een dergelijke procedure in beginsel in met een verzoek om openbaarheid van de zitting. Als het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift, blijft de inspecteur verplicht uitspraak te doen op het bezwaar. De rechtbank kan in dat geval bepalen dat Hoofdstuk VIII, afdeling 2, AWR gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van toepassing blijft. Zo nodig verzoekt de inspecteur hierom bij of voorafgaand aan de indiening van zijn verweerschrift. Als belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb de rechtbank heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, verstrekt de inspecteur binnen de door de rechtbank gestelde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken. De inspecteur kan gewichtige redenen hebben om een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk niet (volledig) te overleggen en een beroep te doen op geheimhouding (artikel 8:29 Awb). Na ontvangst van het afschrift van de uitspraak van de rechtbank wordt de inhoud daarvan in het kort vastgelegd in het in paragraaf 1.3 bedoelde bestand. Op de originele afschriften mag niet worden geschreven. Als de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij samen met de betrokken vaktechnisch coördinatoren of hij tegen de uitspraak hoger beroep in zal stellen. Als de inspecteur meent dat er bij een uitspraak van de rechtbank sprake is van schending van het recht of dat er is verzuimd op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen in acht te nemen, gaat hij na of de feiten door de rechtbank juist en volledig zijn vastgesteld. Als het niet meer nodig is om de feiten ter discussie te stellen, dan kan hij aan belanghebbende voorstellen om de procedure voor het gerechtshof over te slaan, onder voorbehoud van een akkoord van de staatssecretaris. Als belanghebbende akkoord gaat, dient de inspecteur een voorstel voor sprongcassatie in bij FJZ/Cassatie. Daartoe zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust en onder overlegging van alle ter zake dienende bescheiden binnen tien dagen na de datum van terpostbezorging van het afschrift van de uitspraak aan FJZ/Cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd. Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval: een gespecificeerde opgaaf van de gegevens van de aangifte als deze is gedaan. Bij procedures betreffende de erf- en schenkbelasting kan, als de aangifte zeer omvangrijk is, worden volstaan met een uittreksel uit de aangifte betreffende de in geding zijnde onderdelen; een kopie van de belastingaanslag dan wel van een ander bestreden besluit of een gespecificeerde opgaaf van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Bij procedures tegen een grote hoeveelheid identieke aanslagen kan worden volstaan met een voorbeeld-aanslag; het bezwaar- of verzoekschrift; een kopie van de uitspraak op bezwaar dan wel een kopie van de kennisgeving waarin de beslissing op het bezwaar- of verzoekschrift wordt gemotiveerd (in de gevallen dat dit van toepassing is); alle andere stukken die een rol gespeeld hebben in de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot het geschilpunt bij de totstandkoming van het bestreden besluit en de uitspraak op bezwaar. de processtukken van de procedure bij de rechtbank (beroepschrift, verweerschrift, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, eventueel gevoerde correspondentie met de rechtbank, pleitnota’s en andere ter zitting overgelegde stukken, door de griffier opgesteld proces-verbaal van de zitting); een eventueel (openbaar gedeelte van een) controlerapport; de bijlagen bij voornoemde geschriften, voor zover in deze paragraaf nog niet genoemd. De inspecteur kan – als daartoe de noodzaak aanwezig is – kopieën in plaats van de originele bescheiden indienen. FJZ/Cassatie laat de inspecteur schriftelijk weten of zijn voorstel wordt gevolgd. Als FJZ/Cassatie met het voorstel van de inspecteur instemt, dan vraagt de inspecteur het formele akkoord van belanghebbende. Als FJZ/Cassatie niet met het voorstel van de inspecteur instemt, dan stelt de inspecteur in beginsel hoger beroep in. Als belanghebbende verzoekt om sprongcassatie, bepaalt de inspecteur of hij vindt dat de rechtbank de feiten juist en volledig heeft vastgelegd. Als hier naar het oordeel van de inspecteur geen sprake van is, laat hij aan belanghebbende weten dat hij geen voorstel tot instemming met sprongcassatie zal doen. Alleen als het niet meer nodig is om de feiten ter discussie te stellen, dient de inspecteur een voorstel tot instemming in bij FJZ/Cassatie. Daartoe zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust per omgaande aan FJZ/Cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd. FJZ/Cassatie laat belanghebbende schriftelijk weten of instemming wordt verleend, met afschrift aan de inspecteur. Als belanghebbende zich rechtstreeks tot FJZ/cassatie wendt met een verzoek om instemming sprongcassatie, zal FJZ/cassatie de inspecteur benaderen om hierover te worden voorgelicht. De inspecteur beoordeelt samen met de betrokken vaktechnisch coördinatoren of hij sprongcassatie zal voorstellen dan wel met een verzoek om sprongcassatie van belanghebbende kan instemmen. Wanneer de inspecteur, in geval van vereenvoudigde behandeling van het beroep, van oordeel is dat een uitspraak onjuist is, dient hij een verzetschrift in bij de rechtbank. De inspecteur kan daarin verzoeken over zijn verzet te worden gehoord. Het verzetschrift wordt ingediend binnen zes weken nadat de uitspraak aan partijen is verzonden. Tegen een uitspraak op verzet is geen hoger beroep mogelijk, wel beroep in cassatie. Voor de behandeling hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van dit besluit. Voor zover tegen een uitspraak hoger beroep of beroep in (sprong)cassatie wordt ingesteld, of de termijn daarvoor nog niet is verstreken, wordt die uitspraak nog niet uitgevoerd. Onderdelen van de uitspraak die in de loop van hoger beroep of beroep in (sprong)cassatie nog aan de orde kunnen worden gesteld, worden nog niet uitgevoerd. Als zowel belanghebbende als de inspecteur zich bij de uitspraak neerlegt, draagt de inspecteur zorg voor de uitvoering van de uitspraak nadat deze onherroepelijk is geworden. Voor zover uitvoering van de uitspraak leidt tot vergoeding van griffierecht, proceskosten of immateriële schade wordt verwezen naar paragraaf 6.3. De inspecteur beoordeelt samen met de betrokken vaktechnisch coördinatoren of de uitspraak van de rechtbank voor andere belanghebbenden van belang kan zijn en neemt zo nodig contact op met de griffie van de rechtbank met het verzoek de uitspraak op www.rechtspraak.nl te publiceren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel