Naar hoofdinhoud

Artikel III

Samenloop regelingen

Onderdeel van Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2021

Het overgangsrecht in de Wet straffen en beschermen gaat uit van straffen die zijn opgelegd voor of na inwerkingtreding van die wet. Op straffen uitgesproken in laatste feitelijke instantie vóór 1 juli 2021 is de toenmalige regeling van toepassing (zie deel II). Voor straffen uitgesproken vanaf 1 juli 2021 geldt de regeling beschreven in deel I. Het kan daarnaast voorkomen dat iemand in verschillende strafzaken voor én na inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen (1 juli 2021) is veroordeeld tot meerdere onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen. Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2021/46041. Wanneer een veroordeelde meerdere vrijheidsstraffen moet ondergaan, worden die doorgaans aaneensluitend ten uitvoer gelegd en wordt de v.i. over het geheel berekend (art. 6:2:6 Sv). Bij samenloop van straffen in laatste feitelijke instantie uitgesproken voor resp. na inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen is het in beginsel niet mogelijk om deze straffen in dit verband als één straf te zien. Voor de berekening van de totale v.i.-periode worden op grond van het overgangsrecht een v.i.-waardige straf die in laatste feitelijke instantie is opgelegd vóór 1 juli 2021 en een v.i.-waardige straf die is opgelegd vanaf 1 juli 2021 dus niet gezien als één straf maar als twee straffen.44Er kan ook sprake zijn van meerdere oude en/of meerdere nieuwe straffen. Bijv. twee oude straffen van twee en zes jaar, en een nieuwe van negen. De oude straffen zijn dan voor de toepassing van de v.i. onderling samen te nemen. Zij kunnen echter niet samen worden genomen met de nieuwe straf(fen). Op de straf uitgesproken vanaf 1 juli 2021 is de huidige v.i.-regeling (in deel I) van toepassing en op de straf van vóór 1 juli 2021 de toenmalige regeling (in deel II). Op die hoofdregel bestaat één uitzondering. Een onvoorwaardelijke straf die vóór 1 juli 2021 is opgelegd in laatste feitelijke instantie en die op zichzelf genomen niet v.i.-waardig is (omdat deze minder dan een jaar bedraagt) en een eveneens op zichzelf niet v.i.-waardige onvoorwaardelijke straf die vanaf 1 juli 2021 is opgelegd worden bij aaneengesloten tenuitvoerlegging voor de toepassing van de v.i.-regeling als één straf aangemerkt als zij tezamen een periode van meer dan een jaar bedragen. Nu de mogelijkheid van v.i. in dit geval pas ontstaat onder de werking van de Wet straffen en beschermen wordt de v.i. volledig overeenkomstig het huidige v.i.-recht toegepast.45TK 2020-2021, 35 122, nr. 39 (Brief Minister voor Rechtsbescherming, 2 april 2021). In die specifieke situatie gelden de regeling en het beleid zoals beschreven in deel I.46Nadat straffen op grond van de uitzonderingsregel eenmaal zijn samengenomen, kan zich een volgende straf aandienen waar eerder geen rekening mee is gehouden of kon worden gehouden die aaneensluitend ten uitvoer wordt gelegd. De eerdere combinatie oud-nieuw kan voor (de berekening van) de v.i. in stand worden gelaten, mits de volgende straf geen oude v.i.-waardige straf betreft. Het is aan de CVv.i. om hierin in de concrete situatie een afweging te maken. Niet-verlening, uitstel – van de beslissing – of herroeping van de v.i. kunnen aan de orde zijn, evenals een wijziging van de bijzondere voorwaarden. Dit geldt met name wanneer sprake is van een substantiële nieuwe straf. Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2021/46041. Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2021/46041. Bij samenloop van een vóór 1 juli in laatste instantie uitgesproken onvoorwaardelijke straf (oud) en een vanaf 1 juli 2021 uitgesproken straf (nieuw) zijn ten aanzien van de veroordeelde twee v.i.-regelingen van toepassing. Voor de respectievelijke, op zichzelf v.i.-waardige, straffen gelden in de basis de wettelijke regeling en het beleid zoals beschreven in deel I (voor uitspraak vanaf 1 juli 2021) en deel II (voor uitspraak in laatste feitelijke instantie tot 1 juli 2021). Er dient rekening te worden gehouden met een aantal bijzonderheden. Bij de ene straf (‘nieuw’) beslist het OM over de verlening van de v.i. Bij de andere straf (‘oud’) kan de rechter op vordering van het OM beslissen om de betreffende v.i. uit te stellen of achterwege te laten. De v.i.-trajecten onder de beide regelingen worden zoveel mogelijk in onderlinge samenhang beschouwd. In de meeste gevallen zal een ‘oude’ straf als eerste ten uitvoer worden gelegd. Het OM gaat dan in beginsel voor ommekomst van twee derde van de straf na of er dringende redenen aanwezig zijn om een vordering tot uitstel of afstel van de v.i. in te dienen. Indien (ook op een later moment) geen vordering is ingediend of deze is afgewezen, zal de veroordeelde op twee derde van zijn oude straf recht op v.i. hebben. Het OM zal daaraan als bijzondere voorwaarde in elk geval een meldplicht bij de reclassering verbinden.47Indien een bijzondere voorwaarde is gesteld, is daaraan van rechtswege de medewerking aan identiteitsvaststelling en medewerking aan huisbezoeken verbonden (art. 6:2:11, tweede lid, Sv). De v.i. wordt als zodanig op dat moment niet geëffectueerd; de tenuitvoerlegging van de straf – en daarmee de v.i. – loopt niet wanneer de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen (art. 6:1:23 Sv). Dat is het geval wanneer hij nog een andere – aaneensluitend ten uitvoer te leggen – onvoorwaardelijke vrijheidsstraf moet ondergaan. Voor ommekomst van de periode waarover v.i. kan worden verleend bij de ‘nieuwe’ vrijheidsstraf neemt het OM een beslissing over de verlening van de v.i. voor die straf. Besluit het OM om voor de ‘nieuwe’ straf geen v.i. te verlenen, dan wordt nagegaan of er gronden aanwezig zijn om tevens een vordering herroeping van de v.i. voor de ‘oude’ straf in te dienen. Besluit het OM voor de ‘nieuwe’ straf v.i. te verlenen, dan kan het daaraan bijzondere voorwaarden verbinden. Mocht daartoe aanleiding bestaan, dan kunnen de bijzondere voorwaarden van de ‘oude’ straf in een separaat besluit worden gewijzigd (c.q. aangevuld). De voorwaarden van de onderscheidenlijke v.i.-trajecten worden namelijk zoveel mogelijk op elkaar afgestemd; aan de v.i. worden (voor een bepaalde duur) in beginsel dezelfde voorwaarden verbonden.48Met ingang van 1 juli 2021 zijn nieuwe voorwaarden opgenomen in art. 6:2:11, derde lid Sv. Het betreft: j. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten; k. een beperking van het recht om Nederland te verlaten; l. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade of het treffen van een regeling voor het betalen van de schadevergoeding in termijnen; m. de plicht te verhuizen uit een bepaald gebied. De regeling van vóór 1 juli 2021 voorzag hier niet in. Bij het stellen van bijzondere voorwaarden is altijd het uitgangspunt dat de voorwaarden naar het oordeel van de CVv.i. noodzakelijk en proportioneel zijn. Daarnaast moeten zij aansluiten bij het doel van de invrijheidstelling. Indien is aangevangen met de tenuitvoerlegging van de straf die is uitgesproken na 1 juli 2021 (‘nieuwe straf’), geldt bovenstaande mutatis mutandis. Besluit het OM geen v.i. te verlenen voor de ‘nieuwe’ straf, dan ligt in de rede dat een vordering uitstel of achterwege laten van de ‘oude’ v.i. wordt overwogen. Bij ‘nieuwe’ straffen wordt de beschikbaarheid van een aanvaardbaar verblijfadres nadrukkelijk betrokken bij de beslissing over de v.i.-verlening (zie par. 4.2.4. in deel I). Indien de veroordeelde na ommekomst van de ‘nieuwe’ straf nog een ‘oude’ vrijheidsstraf of maatregel moet ondergaan, wordt bij de verlening de (penitentiaire) inrichting als aanvaardbaar verblijfadres beschouwd. In dat geval wordt bij de eventuele verlening van de v.i. het beschikken over een aanvaardbaar verblijfadres bij invrijheidstelling als bijzondere voorwaarde opgenomen. Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2021/46041. Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2021/46041. De proeftijd begint bij v.i. te lopen op de dag van de feitelijke invrijheidstelling (art. 6:1:18, tweede lid, Sv). Bij samenloop van twee v.i.-trajecten beginnen derhalve gelijktijdig verschillende proeftijden te lopen. Dit kan betekenen dat de proeftijden eerder eindigen dan de totale periode van invrijheidstelling (het restant van de twee straffen).49Voorbeeld: een ‘oude’ v.i. van drie jaar en ‘nieuwe’ v.i. van twee jaar leveren in de praktijk effectief een invrijheidstelling op van in totaal vijf jaar. De proeftijden van drie, resp. twee jaar, vangen echter gelijktijdig aan bij de invrijheidstelling. Na twee jaar loopt de ene proeftijd af. Een jaar later de andere. Tenzij sprake is van verlenging, is dus aan het laatste deel van de v.i. (in dit voorbeeld twee jaar) niet langer een proeftijd verbonden. Op vordering van het OM kan de rechter de proeftijd(en) verlengen (zie art. 6:1:18, tweede lid, Sv), voor zover daartoe gronden aanwezig zijn. Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2021/46041. Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2021/46041. Bij overtreding van de algemene voorwaarde geldt het herroepingsbeleid zoals weergegeven in deel I (straffen vanaf 1 juli 2021) resp. II (straffen tot 1 juli 2021). Veelal zullen aan de onderscheidenlijke v.i.-trajecten dezelfde bijzondere voorwaarden zijn verbonden. Bij overtreding van de bijzondere voorwaarden kan het OM besluiten de v.i. (nieuw) te herroepen resp. besluiten een vordering tot herroeping van de v.i. (oud) in te dienen. Deze beslissingen worden zoveel mogelijk in samenhang genomen. Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2021/46041. Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2021/46041. Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2021/46041.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel