De Wet justitiële en strafvorderlijke persoonsgegevens (Wjsg) is met ingang van 1 januari 2019 gewijzigd om uitvoering te geven aan de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging1Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad, PbEU L119. (hierna: de Richtlijn). Deze omvat de verwerking van de persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreft een bijzondere Unierechtelijke regeling die naast de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) staat.
De werkingssfeer van de gewijzigde Wjsg is als gevolg van de implementatie van de Richtlijn uitgebreid met de verwerking van ‘tenuitvoerleggingsgegevens’. Tenuitvoerleggingsgegevens zijn de persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon inzake de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, die in een dossier of een ander gegevensbestand zijn of worden verwerkt.2Zie artikel 1, onder d, Wjsg. Dat betekent dat tenuitvoerleggingsgegevens de verwerking van gegevens van personen bij de uitvoering van vrijheidsbenemende of -beperkende straffen of maatregelen mede omvat. Anders dan tijdens de opsporing is tijdens de tenuitvoerlegging de aard van de beslissing bekend waarop de afdoening berust. De verwerking van persoonsgegevens ter uitvoering van de Wet forensische zorg (Wfz), de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) en de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) valt hieronder. Daarnaast biedt ook het Wetboek van Strafvordering sinds de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) per 1 januari 2020, een grondslag voor de Minister van Justitie en Veiligheid (de Minister) om tenuitvoerleggingsgegevens te verwerken. Deze wet ziet op de verwerking van gegevens van personen ter uitvoering van strafrechtelijke beslissingen.3Deze taak is niet bij DJI belegd, maar bij het CJIB. Op bovengenoemde verwerkingen is de Wjsg van toepassing, in het bijzonder hetgeen in de titel over tenuitvoerleggingsgegevens is opgenomen.4Kamerstuk 34 889, nr. 3, blz. 13.
Op grond van artikel 51a Wjsg verwerkt de Minister tenuitvoerleggingsgegevens, indien dit noodzakelijk is voor een goede vervulling van een wettelijke taak of het nakomen van een andere wettelijke verplichting. De Minister kan de tenuitvoerleggingsgegevens die hij op grond van artikel 51a Wjsg verwerkt, verstrekken als deze verstrekking voor één van de in artikel 51c Wjsg genoemde doelen plaatsvindt en die verstrekking noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. Tot die doelen behoren de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing; de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten; schuldhulpverlening of resocialisatie van betrokkene; het bestuurlijk handelen of het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing; of het verlenen van hulp aan slachtoffers.’
Deze beleidsregel geeft duidelijkheid over de mogelijkheid tot het verstrekken van tenuitvoerleggingsgegevens op grond van artikel 51c, tweede lid, Wjsg. Op grond van dat artikel kunnen tenuitvoerleggingsgegevens over risico’s, incidenten en het gedrag van de gedetineerde of de forensische patiënt kunnen worden verstrekt, ook als de betrokkene daarvoor geen toestemming heeft gegeven. Dat zekerheid in de uitvoering over de verstrekking van gegevens noodzakelijk is blijkt onder andere uit de beleidsreactie5Beleidsreactie op de onderzoeksrapporten over het detentieverloop van Michael P., 28 maart 2019. op de onderzoeksrapporten over het detentieverloop van Michael P.6‘Het detentieverloop van Michael P.’, Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd; ‘Forensische zorg en veiligheid. Lessen uit de casus Michael P’, Onderzoeksraad voor Veiligheid., waarin de belemmeringen in de gegevensuitwisseling aan de orde zijn gekomen.
Voorop staat dat degene die beslist over de detentie(fasering) en vrijheden van de gedetineerde of forensische patiënt moet beschikken over een integer en integraal persoonsbeeld om die beslissingen verantwoord en veilig te kunnen nemen. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld de vestigingsdirecteur PI of het hoofd van de instelling voor forensische zorg of de selectiefunctionaris (namens de Minister).
De uitvoeringspraktijk heeft aangegeven grote behoefte te hebben aan structurele verstrekking van tenuitvoerleggingsgegevens en aan duidelijkheid over wat men in dat opzicht van elkaar kan verwachten. Deze behoefte is begrijpelijk. Het is niet doenlijk om op ieder niveau en bij elke vervolgstap in de tenuitvoerlegging met elkaar in discussie te gaan over wat de kaders zijn waarbinnen wordt gewerkt. Dat brengt ook grote risico’s met zich mee, omdat dan de kans bestaat dat enerzijds gegevens worden verstrekt waar dat eigenlijk niet nodig is en anderzijds te weinig gegevens worden verstrekt waar dat met het oog op bijvoorbeeld maatschappelijke veiligheid onverantwoord is. Daar staat tegenover dat het heel goed mogelijk is situaties te schetsen waar het zwaarwegend algemeen belang in de uitvoeringspraktijk altijd gegevensverstrekking zal vergen. In die situaties moet informatiedeling plaatsvinden. Het niet kunnen verstrekken van deze gegevens is zeer risicovol omdat bijvoorbeeld de forensische instelling dan geen integer en integraal persoonsbeeld van de forensisch patiënt kan vormen. Alleen als deze uitvoerende partijen over voldoende informatie beschikken en over een integer en integraal persoonsbeeld van de forensische patiënt zijn zij in staat hun taak doeltreffend in te vullen.
De scope van deze beleidsregel ziet op de toepassing van artikel 51c Wjsg. De beleidsregel bevat een nadere uitwerking van de situaties waarin gebruik wordt gemaakt van artikel 51c Wjsg bij verstrekking van tenuitvoerleggingsgegevens. In het tweede hoofdstuk wordt nader ingegaan op de werking van artikel 51a Wjsg. Deze bepaling bevat een verwerkingsgrondslag voor tenuitvoerleggingsgegevens voor de Minister. Vervolgens wordt in dit hoofdstuk verder uitgewerkt in welke gevallen de verwerkingsverantwoordelijke – de Minister – gegevens kan verstrekken op grond van artikel 51c Wjsg. De beleidsregel heeft echter geen betrekking op de bevoegdheden van het College van procureurs-generaal. Dit kan zelfstandig blijven beslissen. Aan de hand van enkele praktijkvoorbeelden wordt in het derde hoofdstuk nadere invulling gegeven aan de toepassing van artikel 51c Wjsg in het geval van structurele verstrekkingen. Ook bevat de beleidsregel in het laatste hoofdstuk een stappenplan ten behoeve van informatieverstrekkingen in andere situaties dan die in hoofdstuk drie aan de orde zijn gekomen.
Artikel 1
Aanleiding
Onderdeel van Beleidsregel verstrekking tenuitvoerleggingsgegevens· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 18 september 2021