In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de algemene registratiebepalingen, het openen, het typeren, het registreren en het sluiten van een dbbc besproken.
Meer uitgebreide informatie over het hele proces (registreren-valideren-afleiden), voorbeelden, nadere toelichting en stroomschema’s staan vermeld in Bijlage 1: Toelichting op de nadere regel.
De registratie van de geleverde zorg in de administratie van de zorgaanbieder is volledig, juist en actueel.
De hoofdbehandelaar is verantwoordelijk voor de vastlegging van de daadwerkelijk verleende zorg in door de NZa vastgestelde activiteiten en voor de juistheid van het hele dbbc-traject.
Voordat er een dbbc geregistreerd kan worden moet er eerst een zorgtraject geopend worden. De registratie van het zorgtraject start op het moment dat een patiënt wordt geplaatst bij een zorgaanbieder. Het zorgtraject bestaat altijd uit één initiële dbbc en mogelijke vervolg-dbbc’s.
Onder voorwaarden kunnen bij één zorgaanbieder maximaal drie zorgtrajecten per patiënt open staan. Dit kan als er sprake is van meerdere primaire diagnoses waarvoor gelijktijdig substantieel verschillende behandelingen moeten worden ingezet.
Het openen van een dbbc is een administratieve handeling. Iedereen kan onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar een initiële dbbc en een vervolg-dbbc openen.
De openingsdatum van een initiële dbbc is gelijk aan de datum waarop de eerste directe of indirecte patiëntgebonden activiteit, uitgevoerd door een beroep waarvan de tijd afleidt naar een prestatie, plaatsvindt. Bij voortgezette behandeling is de openingsdatum van de vervolg-dbbc de dag na het afsluiten van de voorgaande dbbc. Voor een initiële dbbc met zorgtype fpt proefverlof en fpt voorwaardelijke beëindiging geldt in uitzondering op voorgaande dat de openingsdatum gelijk is aan de datum van de eerste verrichting fpt.
Er moet een initiële dbbc geopend worden als:
een nieuwe patiënt wordt aangemeld bij de zorgaanbieder;
een bekende patiënt voor een andere primaire diagnose in zorg komt, ook als de strafrechtelijke titel gelijk blijft. Voor de toegestane parallelle zorgtrajecten zie 3.1.3 artikel 9;
van een bekende patiënt de strafrechtelijke titel verandert;
een bekende patiënt in zorg is in het kader van een voorgenomen indicatiestelling en een strafrechtelijke titel krijgt opgelegd.
Voor meer informatie zie het onderdeel 3.1.2.3 Wanneer een initiële dbbc openen in bijlage 1.
Heropenen (initiële of vervolg-) dbbc
Als de patiënt binnen 35 dagen na het afsluiten van de dbbc terugkomt in zorg voor dezelfde diagnose, tenzij de doorlooptijd van de dbbc meer dan 365 dagen wordt, moet de voorafgaande dbbc heropend worden.
Als de patiënt terugkomt in zorg en een nieuw plaatsingsnummer krijgt, wordt de dbbc niet heropend, maar wordt een nieuwe dbbc geopend.
Openen vervolg-dbbc
De hoofdbehandelaar opent een vervolg-dbbc als:
een (initiële of vervolg-)dbbc 365 dagen openstaat en de behandeling nog niet afgerond is;
een patiënt weer terug in zorg komt voor dezelfde diagnose binnen 365 dagen na afsluiting van de voorgaande dbbc. Echter, als een patiënt binnen 35 dagen terug komt met dezelfde diagnose móet, tenzij de doorlooptijd van de dbbc meer dan 365 dagen wordt, de voorgaande dbbc heropend worden.
als een zorgaanbieder de behandeling van een patiënt overneemt van een andere zorgaanbieder, nadat de eerstgenoemde zorgaanbieder een second opinion heeft uitgevoerd.
Voor vervolg dbbc’s in verband met fpt geldt dat de voorgaande dbbc niet altijd 365 dagen open moet hebben gestaan:
Als een patiënt overgaat naar de fase proefverlof, moet de voorgaande dbbc gesloten worden en een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ worden geopend.
Als de patiënt tijdens het proefverlof in een time-out vervalt, moet de dbbc met zorgtype ‘fpt proefverlof’ gesloten worden en een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘tbs met proefverlof’ worden geopend.
Als een patiënt overgaat naar de fase voorwaardelijke beëindiging, wordt de voorgaande dbbc gesloten en een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ geopend.
Als de patiënt tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging in een time-out terugvalt, moet de dbbc met zorgtype ‘voorwaardelijke beëindiging’ gesloten worden en een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege (art. 38 g Sr)’ geopend worden.
Zie voor meer informatie het onderdeel 3.1.2.3. Heropenen in bijlage 1.
Het typeren van een dbbc bestaat uit het vastleggen van de volgende informatie:
de identificatiegegevens van de patiënt
het zorgtype
de aard en mate van gevaar
de aard van het delict
de (primaire) diagnose van de patiënt
Uitsluitend de hoofdbehandelaar mag typeren. De dbbc moet bij het sluiten volledig en juist getypeerd zijn.
De gegevens die de zorgaanbieder in ieder geval moet invullen staan vermeld in de minimale dataset. De volgende gegevens moeten in ieder geval vastgelegd worden1De identificatiegegevens zijn gebaseerd op de nadere regel ‘verplichte aanlevering minimale dataset forensische zorg’. Hierin staat opgenomen welke informatie gepseudonimiseerd moet worden.:
identificatie zorgaanbieder (AGB-code)
identificatie zorgverzekeraar (UZOVI-code)
strafrechtsketennummer (skn)
burgerservicenummer
naam cliënt
adres cliënt
geboortedatum
geslacht
postcode
landcode
circuit
startdatum dbbc
einddatum dbbc
startdatum strafrechtelijke titel
einddatum strafrechtelijke titel
De hoofdbehandelaar noteert het zorgtype dat het beste de aanleiding tot zorg beschrijft.
Zie het onderdeel 3.1.3.3 Vastleggen zorgtype in bijlage 1 en bijlage 2: Zorgtypen voor de wijze van vastleggen en een overzicht van alle zorgtypen.
Als er sprake is van een maatregel volgens de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) en deze wordt toegevoegd aan de strafrechtelijke titel, wijzigt hiermee niet het zorgtype. Als de strafrechtelijke titel afloopt terwijl de Bopz-maatregel blijft gelden, dan wordt de dbbc afgesloten en wordt een dbc volgens de GGZ-systematiek geopend.
Het gevaar dat de patiënt vormt moet in drie categorieën getypeerd worden:
acuut fysiek gevaar
vluchtgevaar
recidivegevaar
Zie onderdeel 3.1.3.5 Vastleggen aard en mate van gevaar in bijlage 1 voor nadere richtlijnen op dit punt.
De classificatie van de aard van het delict gebeurt aan de hand van tien clusters die zijn benoemd in het BooG2Beslissingsondersteuning onderzoek Geestvermogens (BooG) ten behoeve van Forensisch Psychiatrisch Consulent, Ministerie van Justitie en Veiligheid.-instrument. Het is mogelijk meer dan één aard delict te registreren.
Zie Bijlage 3: Vastleggen aard van delict voor een overzicht van de delict classificaties.
De hoofdbehandelaar voert de diagnoseclassificatie uit volgens DSM-5. Ten behoeve van de registratie en bekostiging moet de DSM-5 diagnose vertaald worden naar een DSM-IV-TR diagnose.
De hoofdbehandelaar registreert de geclassificeerde DSM-5 diagnose en de diagnose van de patiënt volgens DSM-IV-TR. De diagnose moet geregistreerd worden op vijf assen.
Zie voor uitgebreide toelichting 3.1.3.7 Vastleggen diagnose van de patiënt in Bijlage 1.
Nadat de diagnose op alle assen is geregistreerd kan worden aangegeven wat de primaire diagnose is. De primaire diagnose is de belangrijkste reden voor behandeling. De primaire diagnose kan alleen uit een diagnose van As 1 of As 2 worden geselecteerd. Niet alle diagnoses op die assen kunnen gekozen worden als primaire diagnose:
code ‘799.9 Diagnose/aandoening uitgesteld’ kan niet de primaire diagnose zijn.
code ‘V71.09 Geen diagnose of aandoening op As 2 aanwezig’ kan niet de primaire diagnose zijn.
Er geldt hierop een uitzondering als er bij een diagnose op As 2 ‘trekken van.’ wordt gescoord. In dat geval kan deze wel dienen als primaire diagnose.
de code op As 2 voor zwakzinnigheid of zwakbegaafdheid kan niet als primaire diagnose geregistreerd worden (hieronder vallen ook de codes voor stoornissen in de kindertijd op As 2).
Zie ook het onderdeel 3.1.3.8 Registreren primaire diagnose in Bijlage 1.
Er kan sprake zijn van meerdere (primaire) diagnoses. Dit kan leiden tot parallelle of seriële zorgtrajecten.
Parallelle zorgtrajecten
Voorwaarde hiervoor is dat de verschillende diagnoses apart benoemd worden in de tabel met mogelijke parallelle hoofdgroepen fz, zie hiervoor de 3.1.3.9 Omgaan met meerdere primairediagnoses in Bijlage 1. Ook moet te verantwoorden zijn dat gelijktijdig substantieel verschillende behandelingen worden ingezet.
In het geval van een fpt en een gelijktijdig openstaand regulier zorgtraject is het niet noodzakelijk dat de primaire diagnose van beide zorgtrajecten verschilt.
Bij ambulante behandeling tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging, gelijktijdig met het fpt of een time-out, geldt dat een apart zorgtraject geopend moet worden waarop de ambulante behandeling moet worden geregistreerd. De ambulante behandeling moet worden geregistreerd op een dbbc met het zorgtype ’tbs met proefverlof’ of zorgtype ’Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’.
Voor behandeling met elektroconvulsie therapie (ect) geldt een uitzondering op de genoemde voorwaarden voor parallelle trajecten. Als er sprake is van een behandeling in combinatie met ect, is het toegestaan om twee zorgtrajecten met dezelfde diagnosehoofdgroep (zoals opgenomen in tabel 6, bijlage 1: 3.1.3.9) te declareren. Voorwaarde hierbij is dat de zorgtrajecten worden uitgevoerd door twee verschillende zorgaanbieders.
Daarnaast blijft het mogelijk om behandeling in combinatie met ect te leveren en declareren via onderlinge dienstverlening.
Seriële zorgtrajecten
Hiervan is sprake als er verschillende diagnoses zijn waarvan één het meest dringend is (comorbiditeit) en het eerst behandeld wordt. De voorwaarde voor opeenvolgende dbbc’s en bijbehorende zorgtrajecten is dat de primaire diagnoses van elkaar verschillen.
Meer gedetailleerde richtlijnen staan in het onderdeel 3.1.3.9 Omgaan met meerdere primaire diagnoses in bijlage 1.
Zodra een dbbc geopend is kunnen activiteiten op verschillende categorieën geregistreerd worden: diagnostiek en behandeling, dagbesteding, verblijf en verrichtingen. De codelijsten waarvan één van de twee gebruikt moet worden zijn te vinden in Bijlage 4 en 4a: Activiteiten en verrichtingen en Bijlage 4A: Verkorte lijst Activiteiten en verrichtingen. Daarin staan ook de definities van de activiteiten en verrichtingen. Voor meer informatie zie ook het onderdeel 3.1.4 Registreren in Bijlage 1.
Iedere initiële dbbc moet directe tijd van een hoofdbehandelaar bevatten.
Alleen behandelaren van wie het beroep op de openingsdatum van de dbbc is opgenomen in de dbbc-beroepentabel mogen op een dbbc registreren (Bijlage 5: Dbbc-beroepentabel).
Behandelaren moeten bij het registreren gebruik maken van de codes die op de registratiedatum geldig zijn, zoals vermeld in de activiteiten- en verrichtingenlijst onder bijlage 4 en bijlage 4a. Daarnaast moeten behandelaren aangeven of het om direct of indirect patiëntgebonden (reis-)tijd gaat. In de activiteiten-en verrichtingenlijst staat per activiteit aangegeven welke vormen van tijd geregistreerd mogen worden. Niet-patiëntgebonden activiteiten, zoals scholing, het lezen van vakliteratuur, algemene vergaderingen en intervisiebijeenkomsten, mag de hoofdbehandelaar niet op een dbbc registreren.
Een behandelaar mag alleen de patiëntgebonden tijd in het kader van diagnostiek of behandeling, registreren die hij daadwerkelijk heeft besteed aan die activiteit. Niet-patiëntgebonden activiteiten mag de (hoofd)behandelaar niet op een dbbc registreren.
De behandelaar mag alleen reistijd registreren als de reistijd in het teken staat van direct patiëntgebonden activiteiten. Als de patiënt niet verschijnt (no-show), dan mag de behandelaar de reistijd alsnog registreren. De tijd van het ingepland contact mag in geval van een no-show niet worden geregistreerd. Er mag géén reistijd geregistreerd worden als er gereisd moet worden naar een andere locatie binnen de eigen organisatie (AGB-code).
Wanneer de behandelaar in het kader van diagnostiek of behandeling van de patiënt tijd besteedt aan het ‘systeem van de patiënt’ (familieleden, gezinsleden, ouders, partner of andere naasten), moet hij deze tijd registreren op de dbbc van de betreffende patiënt.
De behandelaar verdeelt, in geval van meerdere behandelvormen tijdens één sessie, de bestede tijd naar verhouding over deze behandelvormen.
Als een patiënt groepstherapie krijgt waarbij meerdere patiënten tegelijkertijd behandeld worden, deelt de behandelaar zijn bestede tijd door het aantal deelnemende patiënten. Het maakt daarbij niet uit op grond van welke bekostiging (fz, Zvw, Wlz, Jeugdwet, etc.) de behandelingen worden gefinancierd.
Zorgaanbieders mogen op hun eigen manier invulling geven aan het registreren van de werkelijk bestede tijd. Het is ook toegestaan om standaardtijden of normtijden3De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor de normtijden en het herijken/updaten hiervan. per activiteit vast te stellen
In geval van onderlinge dienstverlening registreert de opdracht-gevende zorgaanbieder de activiteiten die de opdrachtnemende zorgaanbieder heeft uitgevoerd als onderdeel van de behandeling van de opdrachtgever, op de bestaande dbbc. De registratievereisten uit deze nadere regel zijn voor de opdrachtgevende zorgaanbieder onverkort van toepassing op activiteiten in het kader van onderlinge dienstverlening. De opdrachtgever betaalt de opdrachtnemer buiten de dbbc-systematiek om. Als een zorgaanbieder een deel van de zorg uitbesteedt voor een patiënt met een lopend zorgtraject, blijft de opdrachtgevende zorgaanbieder verantwoordelijk voor de verlening en declaratie van deze zorg.
Zie ook het onderdeel 3.1.4.10 Onderlinge dienstverlening in Bijlage 1.
Alleen behandelaren waarvan het beroep op de openingsdatum van de dbbc is opgenomen in Bijlage 5: Dbbc-beroepentabel
mogen op de dbbc diagnostiek en behandeling registreren.
In het kader van een behandeling moeten beroepen die onder het beroepencluster ‘somatische beroepen’ vallen, hun tijd registreren op basis van Bijlage 4 en 4a: Activiteiten en verrichtingen en Bijlage 4A: Verkorte lijst Activiteiten en verrichtingen, onder de activiteit die het beste past bij de behandeling;
Als behandelaren nog in vervolgopleiding zijn registreren zij onder het beroep van de opleiding die zij op het moment van behandelen hebben afgerond (als dat beroep voorkomt in de beroepentabel). Er mag niet geregistreerd worden op een beroep waarvoor iemand nog in opleiding is;
Beroepen die 24-uurscontinuïteitszorg leveren, registreren hun bestede tijd tijdens het verblijf van een patiënt niet, omdat deze tijd versleuteld zit in het tarief voor verblijf.
Iedereen, onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar, kan binnen de dbbc dagbesteding registreren.
Er zijn vijf vormen van dagbesteding te onderscheiden. Deze staan beschreven in het onderdeel 3.1.4.12 Wat registreren bij dagbesteding in bijlage 1. Zie voor de te gebruiken codes (Bijlage 4 en 4a: Activiteiten en verrichtingen en Bijlage 4A: Verkorte lijst Activiteiten en verrichtingen).
Er zijn voor elk type dagbesteding twee activiteitencodes beschikbaar: één als de dagbesteding in ambulante setting plaatsvindt (dagbesteding laag), en één voor als de dagbesteding plaatsvindt in een klinische setting (dagbesteding midden, hoog en zeer hoog).
Er geldt een aantal voorwaarden voor het registreren van dagbesteding:
Dagbesteding is in het kader van de (psychiatrische) behandeling;
Dagbesteding is terug te vinden in het behandelplan;
De patiënt is daadwerkelijk aanwezig.
Tijdens dagbesteding kan de behandelaar géén direct patiëntgebonden behandelactiviteiten registreren.
Onder dagbesteding wordt niet verstaan:
reguliere dagstructurering in de woon-verblijfssituatie;
welzijnsactiviteiten, zoals zang, bingo en uitstapjes.
Dagbesteding wordt geregistreerd in uren en mag tegelijkertijd geregistreerd worden met verblijfsdagen.
Voor een nadere toelichting zie het onderdeel 3.1.4.11 – 3.1.4.17 Dagbesteding registreren in bijlage 1.
Er wordt binnen de dbbc-systematiek onderscheid gemaakt tussen het registreren van behandelactiviteiten en van verblijf. Bij de registratie van een deelprestatie verblijf gaat het om een ’kale verblijfsdag’. Verblijf wordt geregistreerd op basis van dagen aanwezigheid door middel van een deelprestatie verblijf.
Iedereen onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar mag deelprestaties verblijf registreren.
De aanbieder moet in het behandeldossier vastleggen welke keuzes er gemaakt zijn rondom het inschalen van de patiënt op één van de prestaties van verblijf, rondom het al dan niet afschalen van de patiënt bij een gewijzigde zorgvraag, rondom het al dan niet met verlof gaan en rondom het al dan niet beëindigen van het verblijf van de patiënt.
Een verblijfsdag kan alleen geregistreerd worden als een patiënt de dag en de daaropvolgende nacht aanwezig is geweest in de instelling. De dag van opname en de daarop volgende nacht gelden als één verblijfsdag. Alleen als de patiënt op zijn laatst om 20:00 uur is opgenomen en ’s nachts in de instelling verblijft, mag voor die dag nog een verblijfsdag worden geregistreerd. De dag waarop de patiënt ontslagen wordt en dus niet de daaropvolgende nacht in de kliniek verblijft, geldt niet als verblijfsdag. De kapitaallasten bij verblijf (nhc) zijn integraal onderdeel van de deelprestaties verblijf.
Op basis van het voor de patiënt benodigde beveiligingsniveau wordt een keuze gemaakt uit de beveiligingsniveaus.
Voor de keuze van de deelprestatie van verblijf is de zorgvraag van de patiënt leidend. Op basis van de zorgvraag van de patiënt wordt bepaald wat de vereiste intensiteit (A t/m G) en beveiligingsniveau (1 t/m 4) van de deelprestatie verblijf is. Dit resulteert in één van de 28 deelprestaties verblijf die het meest overeenkomt met de beschreven verblijfszorg.
Zie ook Bijlage 7: Deelprestaties verblijf en Bijlage 8: Dbbc-beveiligingsniveaus.
In de volgende gevallen mogen de dagen dat de patiënt niet aanwezig is, geregistreerd worden als een deelprestatie verblijf:
ziekenhuisopname
onbegeleid, transmuraal of begeleid verlof
time-out tbs-gestelde
kortdurende terugplaatsing gedetineerden vanuit ggz naar penitentiaire
inrichting (pi)
no-show klinisch
onttrekking
Als er sprake is van ‘fpt-proefverlof’ en ‘fpt-voorwaardelijke beëindiging’ geldt het volgende:
Als de patiënt buiten het fpc verblijft en er geen sprake is van een time-out, kunnen er geen verblijfsdagen geregistreerd worden door de fpc.
Wanneer de patiënt wordt teruggeplaatst binnen het fpc vanwege een time-out, mogen er wel verblijfsdagen geregistreerd worden. Tijdens de fase proefverlof gebeurt dat op een nieuw te openen dbbc ’tbs met proefverlof’ en tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging op een nieuw te openen dbbc met het zorgtype ’Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’.
Elke verblijfsdag moet een unieke registratiedatum hebben. Het is dus niet toegestaan om aan het einde van de looptijd van de dbbc het totale aantal verblijfsdagen van meerdere opnameperiodes onder één code en datum te registreren.
Voor meer informatie zie onderdelen 3.1.4.18 – 3.1.4.23 Verblijf registreren in bijlage 1 en Bijlage 7: Deelprestaties verblijf.
Binnen de zorgcategorie overige deelprestaties wordt een onderscheid gemaakt tussen elektroconvulsie therapie (ect), ambulante methadon verstrekking (amv), forensisch psychiatrisch toezicht (fpt) en dagbesteding.
De overige deelprestaties ect, amv en fpt mogen alleen geregistreerd worden door behandelaren van wie het beroep op de openingsdatum van de dbbc is opgenomen in de dbbc-beroepentabel.
Bij ect moet de behandelaar de tijd én het aantal behandelingen ect registreren. Voor de exacte wijze van registreren van ect zie 3.1.4.25 Elektroconvulsietherapie in Bijlage 1.
Bij de verstrekking van methadon aan ambulante patiënten moet de behandelaar de tijd én het aantal verstrekkingen van methadon per kalendermaand registreren. Voor de exacte wijze van registreren van amv zie 3.1.4.26 Ambulante verstrekking in Bijlage 1.
Op een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ en ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ mogen activiteiten geregistreerd worden die in verband staan met de begeleiding tijdens het fpt.
De behandelaar moet steeds twee zaken registreren: de verrichting fpt (per dag) én de activiteiten en verrichtingen in het kader van fpt.
Als er tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging een time-out optreedt, mogen geen verrichtingen fpt geregistreerd worden.
Voor de registratie van de toeslag tolk gebarentaal / communicatiespecialist geldt als vereiste dat deze toeslag alleen mag worden gedeclareerd als er zorg geleverd wordt aan patiënten met een auditieve beperking en waarvoor de inzet van een tolk gebarentaal / communicatiespecialist noodzakelijk is. De verrichting mag maar één keer per dbbc geregistreerd worden. Het gaat hierbij om vroegdoven, plots- en laatdoven, slechthorenden, doofblinden en patiënten met een gehoorstoornis tinnitus, hypoacousis, ziekte van ménière of auditieve verwerkingsproblemen. Deze toeslag wordt altijd in combinatie met een dbbc-zorgproduct voor behandeling in rekening gebracht
Voor meer informatie over de registratie vereisten van de overige deelprestaties zie onderdeel 3.1.4.24- 3.1.4.27 Overige deelprestaties in bijlage 1.
De hoofdbehandelaar is verantwoordelijk voor het sluiten van de dbbc. De hoofdbehandelaar (of diegene die onder zijn of haar verantwoordelijkheid valt) controleert daarbij de volgende punten:
de dbbc is ingevuld conform deze nadere regel
de dbbc bevat de juiste informatie
de typering is juist en volledig ingevuld
de diagnose is juist ingevuld4Als er op een dbbc alleen pré-intake/intake/diagnostiek en/of crisisopvang is geregistreerd, kan de dbbc gesloten worden zonder weergave van een diagnoseclassificatie.
de GAF-score is ingevuld
Als één of meer van bovenstaande punten niet of niet juist is ingevoerd, mag de dbbc niet worden afgesloten.
Bij het sluiten van een dbbc moet één van de volgende acht redenen worden geregistreerd:
Sluitredenen
Code
Beschrijving
1
Reden voor afsluiten bij patiënt / niet bij behandelaar
2
Reden voor afsluiten bij behandelaar / om inhoudelijke redenen
3
In onderling overleg beëindigd zorgtraject / patiënt uitbehandeld
4
Afsluiten dbbc vanwege openen vervolg-dbbc
5
Afsluiting na alleen pre-intake / intake / diagnostiek / crisisopvang
6
Reden voor afsluiten door beëindigen strafrechtelijke titel
7
Reden voor afsluiten door onvoorziene beëindiging strafrechtelijke titel
8
Time-out
De administratieve organisatie is zodanig ingericht dat een audit-trail mogelijk is. De NZa en de zorgverzekeraar moeten altijd de mogelijkheid hebben om dbbc-registratie op juistheid te controleren.
De zorgaanbieder neemt voor de dbbc-registratie en declaratie van dbbc’s in hun registratie- en declaratiesoftware en validatiemodule op. Het document ‘Toelichting validatieregels fz ’ bevat de specificaties waaraan de validatiemodule moet voldoen. Dit document maakt integraal deel uit van deze nadere regel en is te downloaden van de website van de NZa (www.nza.nl). De validatiemodule moet zodanig zijn ingericht dat alleen dbbc’s in rekening kunnen worden gebracht die niet strijdig zijn met de inhoud van deze nadere regel
De zorgaanbieder hanteert de validatiemodule als instrument om de betrouwbaarheid van dbbc's te toetsen en de juistheid van de registratie te verifiëren. Verificatie gebeurt op basis van gegevens in bronbestanden.
Deze nadere regel stelt voorschriften, voorwaarden of beperkingen met betrekking tot het declaratieproces in de fz.
Voor het leveren van zorg aan een patiënt kan de zorgaanbieder een bij deze zorg behorend dbbc-tarief declareren als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
Het gehele dbbc-traject is afgesloten overeenkomstig deze nadere regel.
De stappen die het dbbc-traject omvatten, te weten: openen, typeren, registreren, sluiten en valideren zijn volledig doorlopen.
De hierboven genoemde stappen, met uitzondering van valideren, vinden plaats door of onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar.
De dbbc bevat altijd directe tijd, met uitzondering van de dbbc met zorgtype forensisch psychiatrisch toezicht (fpt).
het aantal geleverde minuten direct patiëntgebonden tijd is geregistreerd op een zodanige manier dat effectieve controle door de zorgverzekeraar en de NZa mogelijk is.
Het dbbc-tarief kan in rekening worden gebracht voor alle dbbc’s die zijn afgesloten en zijn gevalideerd door de zorgaanbieder door middel van een validatiemodule. Het dbbc-tarief dat wordt gedeclareerd is het tarief dat van toepassing was op het moment van openen van de dbbc.
Het dbbc-tarief wordt gedeclareerd bij de zorgverzekeraar. Om voor bekostiging in aanmerking te komen moet sprake zijn van een fz-titel en een plaatsingsbesluit dat ten grondslag ligt aan de toekenning van fz. In geval van misdrijven tegen de veiligheid van de Staat, conform artikel 96 van het Wetboek van Strafrecht, is geen sprake van een indicatiestelling fz. Dan volstaat een Bevel Observatie getekend door de Rechter-commissaris als bekostigingsgrondslag.
De overige zorgproducten hebben geen directe relatie met het dbbc-traject van een patiënt. De integrale tarieven voor de overige zorgproducten kunnen afzonderlijk gedeclareerd worden bij de zorgverzekeraar. De fz kent twee overig zorgproducten, de Toeslag evbg (extreem vlucht- en beheersgevaarlijk) en Spravato neusspray 28 mg. In de tariefbeschikking zal de NZa opnemen dat deze toeslag alleen gedeclareerd mag worden als de indicatie is vastgelegd waarvoor Spravato is toegediend.
Voor meer informatie over ozp’s wordt verwezen naar de beleidsregel ‘Prestaties en tarieven forensische zorg’.
Als er sprake is van onderlinge dienstverlening kan de uitvoerende zorgaanbieder de vergoeding daarvoor alleen in rekening brengen aan de zorgaanbieder die de prestatie bij de uitvoerder heeft aangevraagd. Er mag door de uitvoerende zorgaanbieder geen dbbc gedeclareerd worden.
Het is niet toegestaan om voor onderlinge dienstverlening in het kader van een dbbc, prestaties en tarieven ten aanzien van een zzp of extramurale parameters in rekening te brengen. Voor meer informatie over onderlinge dienstverlening wordt verwezen naar de beleidsregel ‘prestaties en tarieven forensische zorg’.
Elke factuur moet in ieder geval de volgende gegevens bevatten als onderdeel van de prestatiebeschrijving:
Dbbc-traject startdatum
Bij initiële dbbc’s is dit de datum waarop de eerste (direct of indirect) patiëntgebonden activiteit, uitgevoerd door een beroep waarvan de tijd afleidt naar een prestatie, plaatsvindt.
Dbbc-traject einddatum
Het dbbc-traject eindigt zodra de laatste activiteit (direct of indirect patiëntgebonden) voor een patiënt is geleverd of wanneer de forensische zorgtitel is afgelopen.
Strafrechtelijke titel
De forensische zorgtitel (strafrechtelijke titel, voorgenomen indicatiestelling, fpt of verdiepingsdiagnostiek).
Startdatum strafrechtelijke titel
De datum waarop de strafrechtelijke titel, voorgenomen indicatiestelling, fpt of verdiepingsdiagnostiek start, die ten grondslag ligt aan de geleverde fz.
Einddatum strafrechtelijke titel
De werkelijke datum waarop de strafrechtelijke titel, voorgenomen indicatiestelling, fpt of verdiepingsdiagnostiek, die ten grondslag ligt aan de geleverde fz, is/wordt beëindigd. Deze datum moet worden opgenomen als de datum bekend is. De datum kan in de toekomst liggen.
Dbbc-declaratiecode
De declaratiecode is de 6 cijferige code die gekoppeld is aan de productgroepen voor behandeling en de verblijfssoorten. Aan de declaratiecode is het tarief gekoppeld. Het betreffende tarief staat in een tariefbeschikking.
Gedeclareerde tarief
Op de factuur wordt het afgesproken dbbc-tarief vermeld.
AGB-code
Voor instellingen: de AGB-instellingscode en – als dat van toepassing is de AGB zorgverlenerscode.
Dbbc-prestatiecode
De specificatie van het geleverde zorgproduct. De dbbc-prestatiecode wordt afgeleid van de gevalideerde dbbc-dataset. Deze code bestaat uit 12 alfanumerieke posities, gevuld volgens vier 3-cijferige dbbc-componenten en in onderstaande volgorde:
zorgtype
diagnoseclassificatie
verblijf (altijd 000 omdat de deelprestaties verblijf apart vermeld worden)
productgroep voor behandeling van de dbbc-dataset
Strafrechtketennummer (skn)
Het strafrechtketennummer is van belang voor de betrouwbare vaststelling van de identiteit van verdachten en veroordeelden in de strafrechtketen. Het SKN wordt door zorgaanbieders bij de facturatie van fz bij de zorgverzekeraar gemeld. Zo kan de zorgverzekeraar controleren in hoeverre de zorg rechtmatig verleend is. De zorgaanbieder ontvangt het skn van de indicerende/verwijzende organisatie.
Plaatsingsbesluitnummer
Het plaatsingsbesluitnummer is een uniek nummer dat aan het plaatsingsbesluit gekoppeld is. Dit nummer krijgt de zorgaanbieder van de plaatsende instantie. Het nummer is van belang om voor het Ministerie van JenV de keten tussen indicatie, plaatsing en geleverde zorg inzichtelijk te krijgen. Met het plaatsingsbesluitnummer kan het ministerie nagaan of de zorgaanbieder een verzoek tot zorg heeft ontvangen/gekregen.
Verblijfssoorten
De verblijfssoorten zijn opgebouwd uit een combinatie van de intensiteit van het verblijf en het niveau van beveiliging. Er zijn 7 verschillende verblijfsintensiteiten (A t/m G) en 4 beveiligingsniveaus (1 t/m 4). De verblijfssoorten worden per dag afgerekend en in combinatie met de productgroep voor behandeling afgerekend. Op de factuur wordt per type verblijfssoort het aantal dagen voor de betreffende verblijfssoort vermeld.
Overige deelprestaties
De volgende deelprestaties worden onderscheiden:
elektroconvulsietherapie (ect)
ambulante methadon verstrekking (amv)
forensisch psychiatrisch toezicht (fpt)
dagbesteding
toeslag tolk gebarentaal/communicatiespecialist (ttgc)
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 4
Diagnose-behandel-beveiligingscombinaties (dbbc’s)
Onderdeel van Regeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 september 2021