Als er aanleiding is om een eigen Bibob-onderzoek te starten, dan wordt aan de aanvrager of houder gevraagd een Bibob vragenformulier volledig en naar waarheid in te vullen. Dit vragenformulier dient vervolgens, samen met de gegevens en bescheiden die op het vragenformulier zijn vermeld, bij de minister te worden ingediend.
In het geval sprake is van een aanvraag ter verkrijging van een toelatingsvergunning maakt het vragenformulier van het eigen Bibob-onderzoek onderdeel uit van de aanvraag ter verkrijging van de toelatingsvergunning. Dit brengt met zich dat indien de aanvrager geen volledig ingevuld vragenformulier, met inbegrip van daarbij behorende gegevens en bescheiden aan de minister retourneert, aan de aanvrager, met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de gelegenheid wordt geboden om, binnen een door de minister gestelde termijn, de ontbrekende gegevens en bescheiden alsnog in te dienen. In dit geval wordt de wettelijke termijn, waarbinnen een beschikking op de aanvraag om verlening van een toelatingsvergunning dient te worden gegeven, opgeschort met toepassing van artikel 4:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Indien de aanvrager de geboden herstelmogelijkheid om de ontbrekende gegevens en bescheiden in te dienen, ongebruikt laat, kan de minister, met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, besluiten de aanvraag om een toelatingsvergunning niet inhoudelijk te behandelen. Het besluit daartoe wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld, dan wel nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Indien het eigen Bibob-onderzoek wordt verricht met het oog op een mogelijke intrekking van een reeds verleende toelatingsvergunning rust op de houder eveneens een verplichting om het vragenformulier volledig in te vullen. Indien de houder dit weigert, dan wordt deze weigering aangemerkt als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet Bibob. De vergunning kan dan worden ingetrokken.
Indien wordt overgegaan tot het uitvoeren van het eigen Bibob-onderzoek kan dit eigen onderzoek, globaal genomen, bestaan uit de controle en analyse van:
de door aanvrager of houder ingediende gegevens en bescheiden behorend bij het vragenformulier;
eventueel, op verzoek van de minister, door de aanvrager of houder aanvullend ingediende gegevens en bescheiden;
een onderzoek in open bronnen, zoals het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, het Kadaster, het Centraal Insolventieregister, zoekmachines; en
het raadplegen van politie- en strafvorderlijke gegevens, alsmede netwerktekeningen van de afdeling TRACK van de Dienst Justis van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Indien uit het eigen Bibob-onderzoek feiten en omstandigheden naar voren komen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten en deze feiten en omstandigheden dermate ernstig zijn dat kan worden gesproken van een ‘ernstig gevaar’, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet Bibob, kan de minister zelfstandig, dat wil zeggen zonder tussenkomst van het Bureau, de gevraagde vergunning weigeren of intrekken. Bij een mindere mate van gevaar dan wel als een weigering of intrekking niet wordt gerechtvaardigd door de ernst van de strafbare feiten, kan de minister voorschriften aan de vergunning verbinden. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de vervolgstappen na het eigen Bibob-onderzoek, indien geen advies van het Bureau wordt gevraagd.
Artikel 4
De procedure van het eigen Bibob-onderzoek
Onderdeel van Beleidsregels Wet Bibob Wtza· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 7 januari 2022