De minister kan besluiten om advies te vragen aan het Bureau indien na het eigen Bibob-onderzoek nog immer het vermoeden bestaat dat sprake is van een geval als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, maar de bevindingen uit het eigen onderzoek onvoldoende zekerheid bieden over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of over de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 3, zesde lid, Wet Bibob.
Indien een advies wordt gevraagd aan het Bureau, dan zendt de minister, overeenkomstig artikel 7a, vierde lid, Wet Bibob de door aanvrager of houder verschafte gegevens en bescheiden tezamen met de bevindingen van het eigen onderzoek, toe aan het Bureau.
Over een adviesaanvraag wordt aanvrager of houder overeenkomstig artikel 32 Wet Bibob door de minister door een brief geïnformeerd. Op grond van artikel 31 Wet Bibob, wordt de wettelijke termijn waarbinnen een beslissing op de aanvraag moet worden gegeven opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies is aangevraagd en eindigt met de dag waarop het advies van het Bureau is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn zoals genoemd in artikel 15 Wet Bibob. De aanvrager wordt in de brief gewezen op de opschorting van de beslistermijn van de minister.
Artikel 5
Advies van het Bureau
Onderdeel van Beleidsregels Wet Bibob Wtza· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 7 januari 2022