Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Vervolging

Onderdeel van Aanwijzing huiselijk geweld en kindermishandeling· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2022

Na binnenkomst van een proces-verbaal met betrekking tot huiselijk geweld of kindermishandeling, beslist de officier van justitie zo spoedig mogelijk over de verdere vervolging. De officier van justitie heeft een volledig beeld nodig van alle relevante factoren om te beoordelen of strafrechtelijk ingrijpen bijdraagt aan de uitgangspunten van deze aanwijzing. Het standpunt van het slachtoffer wordt meegewogen bij de beslissing over vervolging, maar is niet doorslaggevend. Zoals eerder in deze aanwijzing gesteld kan er (behoudens het geval van klachtdelicten) ambtshalve worden vervolgd; een uitdrukkelijk verzoek hiertoe van de aangever is niet noodzakelijk. De inzet van maatregelen ter bescherming van het slachtoffer wordt zo spoedig mogelijk na de aanmelding van de zaak overwogen. Als de officier van justitie op basis van bovenstaande besluit om strafvervolging in te stellen, kan besloten worden tot: Een dagvaarding (al dan niet voorafgegaan door een gedragsaanwijzing ex 509hh en/of een voorgeleiding). Het uitgangspunt is dat, vanwege de ernst van het plegen van geweld in afhankelijkheidsrelaties en de bestraffing die daarbij passend is, bij zaken van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt gedagvaard. Als iemand verdacht wordt van het plegen van een geweldsdelict in privésfeer waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en er is sprake van één van de gronden om en verdachte in voorlopige hechtenis te stellen5Bijvoorbeeld gevaar voor het plegen van een 6-jaarsfeit of gevaar voor de gezondheid/veiligheid van personen., wordt deze persoon in beginsel voorgeleid. of Een buitengerechtelijke afdoening in de vorm van een OM-strafbeschikking (al dan niet met een gedragsaanwijzing ex art. 257c Sv) Hiertoe wordt alleen besloten in een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling als sprake is van het ontbreken van letsel of sprake is van heel licht letsel, er geen dreiging is van nieuw geweld, het een eerste incident betreft en/of de berouwvolle dader hulp zoekt en aanvaardt. Aan een OM-Strafbeschikking kan een gedragsaanwijzing verbonden worden conform artikel 257c lid 1 Sv, mits de verdachte door de officier van justitie is gehoord en zich bereid heeft verklaard zich aan de betreffende gedragsaanwijzing te houden. Delicten die met een buitengerechtelijke afdoening kunnen worden afgedaan zijn: vernieling (art. 350 Sr) verbale bedreiging (art. 285 Sr) eenvoudige mishandeling (art. 300 Sr) Andere delicten die vallen onder huiselijk geweld en belaging in de zin van stalking door een (ex-)partner of door iemand anders uit de huiselijke kring of privésfeer worden alleen buitengerechtelijk afgedaan bij hoge uitzondering met expliciete toestemming van de reclasseringsofficier. Zie m.b.t. bovenstaande de Richtlijn voor strafvordering huiselijk geweld en de Aanwijzing OM-strafbeschikking. Bij overtreding van: het tijdelijk huisverbod (art 11 Wet tijdelijk huisverbod) de gedragsaanwijzing (184a Sr) waarbij sprake is van gronden voor voorgeleiding (bijvoorbeeld gevaar voor het plegen van een 6-jaars feit of gevaar voor de gezondheid/veiligheid van personen), wordt als uitgangspunt voorgeleid. Hierbij geldt wel dat elke zaak op zich wordt beoordeeld en dat van het uitgangspunt in voorkomende gevallen gemotiveerd kan worden afgeweken. Dit geldt met name voor die situaties waarin het contact met achterblijvers niet of nauwelijks te vermijden was.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel