Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve vanaf 1 januari 2001; diverse onderwerpen

Onderdeel van Vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting, lijfrenten in de winstsfeer, verzamelbesluit· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 26 januari 2022

Een bv (of natuurlijk persoon) waaraan de onderneming wordt overgedragen, kwalificeert als verzekeraar waarvan een van het inkomen in box 1 aftrekbare lijfrente kan worden bedongen, echter tot maximaal het bedrag van de in het jaar van overdracht behaalde stakingswinst inclusief de afneming van de oudedagsreserve. De totale aftrekruimte voor de belastingplichtige wordt berekend op basis van artikel 3.127, eerste en tweede lid, artikel 3.128 en artikel 3.129 Wet IB 2001. Voor zover de totaal beschikbare aftrekruimte in een kalenderjaar de stakingswinst overschrijdt, kan slechts een van het inkomen in box 1 aftrekbare lijfrente worden bedongen bij een andere volgens de Wet IB 2001 kwalificerende verzekeraar. In voorkomende gevallen kan een belastingplichtige kiezen of hij een deel van de jaar- en reserveringsruimte dan wel een deel van de ruimte bij omzettingen oudedagsreserve en stakingswinst onbenut laat. Op een later moment kan van belang worden welke verdeling is toegepast. De in de aangifte opgenomen verdeling van de lijfrentepremie over de verschillende aftrekruimtes is niet onherroepelijk. De verdeling kan worden gewijzigd tot het moment waarop de keuze voor een verdeling heeft geleid tot onherroepelijke fiscale gevolgen in enig belastingjaar. Een ondernemer kan bij staking (van een gedeelte) van de onderneming voor het bedrag van de stakingswinst een lijfrente bedingen (artikel 3.129, eerste lid, Wet IB 2001). Het maximaal te bedingen bedrag aan lijfrente wordt dus bepaald door de stakingswinst. De stakingsaftrek komt als een onderdeel van de ondernemersaftrek rechtstreeks in mindering op de winst uit onderneming bij de berekening van de belastbare winst uit onderneming. Dit geldt ook voor de MKB-winstvrijstelling. Deze twee ondernemersaftrekken komen daarom niet (ook nog) in mindering op de stakingswinst van een onderneming. Als iemand een stakingswinst behaalt van € 100.000, bedraagt het maximumbedrag waarvoor premieaftrek kan plaatsvinden € 100.000, en niet € 100.000 verminderd met de stakingsaftrek en MKB-winstvrijstelling. Bij inbreng van een onderneming in een bv kan tot maximaal de stakingswinst en de oudedagsreserve een lijfrente worden bedongen van die bv. Volgens Hoge Raad 22 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3887, is aftrek van premies voor een lijfrente als uitgave voor een inkomensvoorziening niet mogelijk in de periode gelegen vóór de oprichting van de bv, omdat een lijfrenteovereenkomst tussen een bv in oprichting en een oprichter onbestaanbaar is. In Hoge Raad 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3194, beslist de Hoge Raad anders en oordeelt hij dat aan een stamrechtovereenkomst met een bv in oprichting voor de heffing van belasting wel gevolgen kunnen worden verbonden, mits de overeenkomst binnen redelijke termijn na oprichting wordt bekrachtigd. Wat er ook zij van de fiscale bestaanbaarheid van de overeenkomst, voor de fiscale winstbepaling geldt dat bij inbreng van een onderneming in een bv de onderneming vanaf het overgangstijdstip voor rekening en risico van de bv wordt gedreven. Als bij de inbreng een lijfrente is bedongen kan daarom ook oprenting van de lijfrenteverplichting door de bv plaatsvinden vanaf het moment waarop de onderneming wordt geacht voor rekening en risico van de bv (i.o.) te worden gedreven tot de datum van oprichting van de bv, ongeacht of de overeenkomst nu wel of niet reeds tot stand komt in de periode voorafgaand aan de oprichting. Bij een omzetting stakingswinst geldt een wettelijk bepaald maximumbedrag aan lijfrentepremieaftrek in situaties waarin de aan de ondernemer toekomende termijnen van lijfrente dadelijk ingaan (artikel 3.129, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, Wet IB 2001). Onder ‘dadelijk ingaan’ wordt verstaan ‘onmiddellijk na het sluiten van de lijfrenteovereenkomst’. Hiermee is dus niet bedoeld ‘onmiddellijk na het tijdstip van staking’. In een situatie van meer dan één lijfrenteovereenkomst moet voor iedere lijfrente apart worden bezien tot welke aftrek dit zou kunnen leiden. De hoogste van deze aftrekbedragen kan in aanmerking worden genomen. Uitdrukkelijk merk ik op dat geen cumulatie mogelijk is van de afzonderlijke aftrekbedragen die thans zijn genoemd in artikel 3.129, tweede lid, Wet IB 2001. Ik verwijs hiervoor naar mijn onderschrift bij de uitspraak van Hof ’s-Gravenhage, 6 juni 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8597 (V-N 2006/54.16). De oudedagsreserve vormt een fiscale reserve (artikel 3.53 Wet IB 2001). Gevolg hiervan is dat de vrijval in het jaar van staking van de onderneming tot de stakingswinst behoort. Gelet hierop zou kunnen worden gesteld dat in genoemd jaar – na het moment van staking – uitsluitend nog een omzetting stakingswinst mogelijk zou zijn en niet een omzetting oudedagsreserve. Dat zou echter een onbedoeld effect meebrengen. Voor zover nodig keur ik daarom goed dat ook in het jaar van staking van een onderneming artikel 3.128 Wet IB 2001 toepassing kan vinden. De goedkeuring vindt plaats onder de voorwaarde dat belastingplichtige zich niet op het standpunt zal stellen dat de afneming van de oudedagsreserve tevens onderdeel uitmaakt van de stakingswinst als bedoeld in artikel 3.129 Wet IB 2001.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel