Slachtofferzorg neemt een centrale plaats in bij de aanpak van mensenhandel. Het gaat daarbij niet alleen om het middels strafrechtelijke interventies recht doen aan slachtoffers, maar ook om een correcte bejegening en bescherming van het slachtoffer en om ondersteuning tijdens het strafrechtelijk onderzoek en de rechtsgang, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van een schadevergoeding.7Zie de Aanwijzing slachtofferrechten.
Paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) Modern Migratiebeleid regelt het rechtmatige verblijf van slachtoffers en getuigen die aangifte doen of op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek. Op grond van deze regeling kunnen deze personen gedurende langere tijd ter beschikking blijven van het OM. Dat is voor het strafrechtelijk onderzoek van het grootste belang. Ten behoeve van een goede uitvoering van deze regeling informeert het OM de IND zo snel mogelijk over de daarvoor relevante beslissingen en uitspraken in de fase van onderzoek, vervolging en berechting.
Ieder slachtoffer van een strafbaar feit wordt, ter voorkoming van herhaald slachtofferschap, secundaire victimisatie (slachtoffer van het systeem), intimidatie en vergelding, door de politie en het OM aan de hand van criteria beoordeeld op individuele beschermingsbehoefte. Een Individuele Beoordeling (IB) is een wettelijke taak die voortvloeit uit de EU-richtlijn minimumnormen slachtoffers.8Richtlijn 2012/29/EU van het Europees parlement en de Raad van 25 oktober 2012 totvaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (PbEU 2012, L 315/57). Het palet aan beschermingsmaatregelen is breed, bijvoorbeeld het afschermen van adresgegevens, anoniem aangifte doen of een contact- of gebiedsverbod.
Wanneer in een strafzaak het horen van het slachtoffer als getuige aan de orde komt, zal een belangenafweging moeten worden gemaakt tussen de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de veiligheid en gezondheid van het slachtoffer en het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Het is in het belang van het slachtoffer dat ondervragingen zonder onnodige vertragingen plaatsvinden, dat het aantal ondervragingen zoveel mogelijk wordt beperkt en dat herhalingen worden vermeden. Daarnaast dient vermeden te worden dat visueel contact plaatsvindt tussen slachtoffer en verdachte, dat het slachtoffer als getuige moet optreden tijdens een openbare zitting en dat nodeloos vragen over het privéleven worden gesteld.9Zie art. 12 lid 4 van de Richtlijn 2011/36/EU, PbEU 2011, L 101/1. Het OM en de opsporingsdiensten dienen al het mogelijke te doen om aan deze belangen tegemoet te komen. De officier van justitie kan voorstellen het slachtoffer te horen buiten de openbaarheid en buiten de aanwezigheid van de verdachte, bijvoorbeeld door de inzet van moderne communicatiemiddelen. Andere alternatieven zijn een verhoor door de rechter-commissaris, het ter terechtzitting afspelen van de geluidsopname die is gemaakt van de belastende verklaring die het slachtoffer tegenover de opsporingsinstantie heeft afgelegd of het horen van de verbalisanten die het verhoor hebben afgenomen. Waar het gaat om het gebruik als bewijs van verklaringen van getuigen die door de verdediging vanwege specifieke omstandigheden niet kunnen worden gehoord, is het van belang dat de verklaringen in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.10Zie jurisprudentie met betrekking tot art. 6 EVRM van het EHRM in de zaak Keskin tegen Nederland (nr. 2205/16) en Hoge Raad 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 alsmede PHR 9 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:645 en Hof Amsterdam 25 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5900. In uitzonderlijke gevallen kan het slachtoffer als bedreigde getuige worden aangemerkt en anoniem worden gehoord door de rechter-commissaris (art. 226a e.v. Sv). In zo’n geval kan het slachtoffer ook deelnemen aan het getuigenbeschermingsprogramma. Verder kunnen de bepalingen in de artt. 187-187d Sv aan slachtoffer-getuigen bescherming bieden (beperkte anonimiteit).
In aanvulling op het gestelde in paragraaf 2.1 verdienen minderjarige slachtoffers van mensenhandel specifieke aandacht. Waar mogelijk wordt het minderjarige slachtoffer steeds door dezelfde personen ondervraagd en vindt de ondervraging plaats in een daarvoor ontworpen of aangepaste ruimte. Daarnaast mag het minderjarige slachtoffer zich laten vergezellen door een vertegenwoordiger of een volwassene naar keuze van de minderjarige, behoudens uitzonderingen.11Zie art. 15 lid 3 van de Richtlijn 2011/36/EU, PbEU 2011, L 101/1. Tevens worden er, indien mogelijk, video-opnamen gemaakt van de ondervraging van het minderjarige slachtoffer of de minderjarige getuige, die als bewijs kunnen worden gebruikt in de strafprocedure.12Zie art. 15 lid 4 van de Richtlijn 2011/36/EU, PbEU 2011, L 101/1. Vergelijkbare maatregelen worden overwogen wanneer het slachtoffers met specifieke behoeften betreft, met name waar deze voortkomen uit zwangerschap, gezondheidstoestand, handicap, geestesstoornis of psychische aandoening, of waar die het gevolg zijn van ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld die zij hebben ondergaan.13Zie art. 11 lid 7 van de Richtlijn 2011/36/EU, PbEU 2011, L 101/1.