Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Relatie met de vergunning en functie

Onderdeel van Beleidsregels levensgedragtoets· Bank- en effectenrecht, financiering

Deze tekst geldt sinds 13 april 2022

1. Aan de conclusie dat sprake is van slecht levensgedrag legt de raad van bestuur enkel antecedenten ten grondslag voor zover: voldoende aannemelijk is dat ze zijn gepleegd bij of in het verlengde van kansspelaanbod; voldoende aannemelijk is dat ze zijn gepleegd bij de uitoefening van een beroep, bedrijf of economische activiteit; de vergunning soortgelijke antecedenten kan faciliteren; de vergunning het witwassen van met soortgelijke antecedenten verkregen voorwerpen kan faciliteren; en/of uit de antecedenten blijkt dat onvoldoende beschikt wordt over eigenschappen die noodzakelijk zijn voor een maatschappelijk aanvaardbare uitoefening van de (beoogde) functie. 2. De in het eerste lid, onder e, genoemde eigenschappen betreffen in ieder geval: het op integere wijze omgaan met de belangen en het welzijn van anderen; openheid; waarheidslievendheid; verantwoordelijkheidszin; wetsgetrouwheid. 3. Dat een antecedent in de privésfeer is gepleegd, verhindert niet dat de raad van bestuur het antecedent verder bij de levensgedragtoets betrekt.

Rechtspraak bij dit artikel