Per 1 januari 2013 geldt er een verbod op het berekenen van provisie bij de verkoop van (complexe) financiële producten zoals hypotheken, pensioenverzekeringen en levensverzekeringen. Het gevolg hiervan is dat de verzekeringstussenpersoon voortaan rechtstreeks kosten in rekening brengt bij zijn klant voor de door hem verrichte samenhangende diensten.
Assurantiebelasting wordt berekend over de premie, alsmede over de vergoeding voor met de verzekering samenhangende diensten (artikel 22, eerste lid, WBR). Hieruit vloeit voort dat slechts assurantiebelasting is verschuldigd wanneer ook daadwerkelijk sprake is van een verzekeringsovereenkomst waarop de vergoeding voor de samenhangende diensten ziet. Door de gewijzigde omstandigheden is een situatie ontstaan waarin de relatie tussen een afgesloten verzekering en de door de verzekeringstussenpersoon te ontvangen vergoeding niet altijd meer eenduidig kan worden onderkend. Om onduidelijkheden weg te nemen heeft de Belastingdienst, in overleg met brancheorganisaties van tussenpersonen van verzekeraars en banken, voor de berekening van de verschuldigde assurantiebelasting forfaitaire toerekeningregels opgesteld. De toerekeningregels kunnen met ingang van een nieuw aangiftetijdvak worden toegepast in plaats van afspraken die reeds eerder met de Belastingdienst/kantoor Amsterdam werden gemaakt. Deze afspraken kunnen evenwel ook worden voortgezet tot het tijdstip waarop opzegging daarvan plaatsvindt.
De forfaitaire toerekeningregels zijn gepubliceerd op www.belastingdienst.nl en www.cggp.nl. Tussenpersonen en adviseurs kunnen vragen over de toepassing van de toerekeningregels voorleggen aan hun branche-organisatie. Ook is het mogelijk vragen schriftelijk voor te leggen aan:
Belastingdienst/kantoor Arnhem
Assurantiebelasting
Postbus 9007
6800 DJ Arnhem
Artikel 2
Maatstaf van heffing. Provisieverbod bij verkoop financiële producten/toerekeningregels
Onderdeel van Assurantiebelasting· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 13 mei 2022