Verzekeringen van zeeschepen, met uitzondering van pleziervaartuigen, zijn vrijgesteld van assurantiebelasting (artikel 24, eerste lid, onderdeel e, WBR). Zeeschepen zijn alle schepen die worden gebruikt of bestemd zijn voor de zeevaart, zoals mosselvaartuigen en viskotters. Van geval tot geval moet worden beoordeeld of er sprake is van een zeeschip. Hieronder geef ik een overzicht van categorieën vaartuigen die ik voor de assurantiebelasting als zeeschip aanmerk. Vervolgens geef ik een overzicht van categorieën vaartuigen die ik niet als zeeschip aanmerk.
Als zeeschip in de zin van de assurantiebelasting merk ik aan:
opgelegde zeeschepen;
zeeschepen gekocht voor sloop maar nog volledig intact;
zeeschepen tijdelijk als hotelschip of voor opslag in gebruik, mits zij voor zeevaart geschikt en bestemd blijven;
zeeschepen gebouwd op speculatie maar nog niet verkocht;
losse voorwerpen en andere vaartuigen, die voor een bepaalde reis geschikt gemaakt worden voor de zeevaart, uitsluitend voor die specifieke reis;
binnenschepen die geschikt zijn en anders dan incidenteel gebruikt worden voor de zeevaart en waarvoor tevens een aanvullende verzekering voor de zeevaart is gesloten;
coasters en vissersschepen tijdelijk in gebruik op de binnenwateren, mits zij geschikt en bestemd blijven voor de zeevaart;
havensleepboten, lichtschepen, pompboten en drijvende brandspuiten die geschikt en bestemd zijn om incidenteel in volle zee te varen;
pontons, zandzuigers en baggermateriaal, drijvende elevatoren en droogdokken, mits geschikt en tevens bestemd voor de zeevaart;
lashbakken, ongeacht of deze bij een bepaald zeeschip behoren.
Niet als zeeschip in de zin van de assurantiebelasting merk ik aan:
zeeschepen gekocht voor sloop en deels onttakeld;
coasters en vissersschepen, die uitsluitend worden gebruikt op de binnenwateren, ongeacht of zij zijn voorzien van een lichtere motor;
drijvende elevatoren en droogdokken, die niet bestemd zijn om op zee te worden gebruikt.
De vrijstelling voor verzekeringen van zeeschepen geldt voor verzekeringen die het casco van het schip betreffen. In de praktijk kan discussie ontstaan over de vraag of ook verzekeringen voor schaden die voor de reder uit het varen van het zeeschip kunnen voortvloeien onder de vrijstelling vallen. Ik acht deze discussie niet gewenst en keur daarom het volgende goed.
Ik keur goed dat verzekeringen voor schaden die voor de reder uit het varen van het zeeschip voortvloeien, vallen onder de vrijstelling voor verzekeringen van zeeschepen. Het betreft verzekeringen zoals zogenoemde disbursementverzekeringen, verzekeringen van premiums, protection en indemnity, verzekeringen van aanvaringsschade aan derden en verzekeringen voor loss of hire. Zogenoemde verzekeringen van shipbroker’s interest zijn niet vrijgesteld.
Verzekeringen van zeeschepen die het casco van het schip betreffen kennen in de regel uitsluitingsclausules. Bijvoorbeeld als niet het minimaal vereiste aantal bemanningsleden aan boord is, vindt er bij schade aan het casco geen uitkering plaats.
Financiële instellingen en andere geldgevers die een hypothecaire lening hebben verstrekt aan een scheepseigenaar bedingen, in geval van dergelijke uitsluitingsclausules, dat er een aanvullende verzekering voor de uitsluitingen wordt afgesloten (hypothecaire belangenverzekering). Ingeval de scheepseigenaar/reder een aanvullende verzekering afsluit en de uitkering cedeert aan de geldgever, dan valt deze verzekering ook onder de vrijstelling van artikel 24, eerste lid, onderdeel e, WBR. In de praktijk kan discussie ontstaan over de vraag of een aanvullende verzekering onder de genoemde vrijstelling valt als de aanvullende verzekering niet door de scheepseigenaar/reder maar door de geldgever zelf wordt afgesloten. Ik acht deze discussie niet gewenst en keur daarom het volgende goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat door financiële instellingen en andere geldgevers afgesloten aanvullende verzekeringen die zien op uitsluitingsclausules in cascoverzekeringen van zeeschepen onder de vrijstelling voor verzekeringen van zeeschepen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel e, WBR vallen.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden.
De financiële instelling of andere geldgever sluit de aanvullende verzekering af in het kader van afspraken in de hypotheekovereenkomst met de eigenaar/reder.
De aanvullende verzekering ziet op de uitsluitingsclausules in de door de eigenaar/reder afgesloten primaire cascoverzekering van het zeeschip.
De financiële instelling of andere geldgever berekent de door haar voor de aanvullende verzekering verschuldigde premie geheel door aan de eigenaar/reder van het zeeschip.
De vrijstelling van assurantiebelasting geldt niet voor verzekeringen van pleziervaartuigen (artikel 24, eerste lid, onderdeel e, WBR). Dat zijn vaartuigen in gebruik bij watersportbeoefenaars en andere recreanten bij of in het water, zoals sportvissers. Zo is een zeewaardig jacht een pleziervaartuig. Ook als dit vaartuig bedrijfsmatig wordt verhuurd of voor representatieve doeleinden wordt gebruikt.
Een vaartuig wordt niet als pleziervaartuig aangemerkt als deze wordt gebruikt voor vervoer met een geheel of nagenoeg geheel openbaar karakter en het vervoer aldus geen gebruik in besloten kring meebrengt. Hierbij valt te denken aan:
Een zeegaand schip dat bedrijfsmatig met eigen bemanning wordt gebruikt om tegen betaling passagiers te vervoeren. Het kan hierbij ook gaan om zeegaande jachten en vissersschepen.
Rondvaartboten die geschikt en bestemd zijn voor rondvaarten op zee.
Transportverzekeringen, waaronder zogenoemde verzekeringen van freight, zijn vrijgesteld van assurantiebelasting (zie artikel 24, eerste lid, onderdeel f, WBR). Een transportverzekering is een verzekering tegen risico’s van schade als gevolg van vervoer van goederen over zee, te land, op binnenwateren en door de lucht.
De vrijstelling geldt voor verzekeringen voor het vervoer van goederen waarvoor een transportbedrijf is gecontracteerd. Het gaat hierbij om schade aan goederen opgelopen ten gevolge van of tijdens het vervoer van de plaats van vertrek naar de plaats van bestemming. De vrijstelling is ook van toepassing op verzekeringen van de uit de vervoersovereenkomst voortvloeiende of uit anderen hoofde bestaande aansprakelijkheid van vervoerders, stuwadoors en expediteurs bij vervoer van goederen. Verder is de vrijstelling van toepassing op verzekeringen van eigendommen van bemanningen van schepen voor het verblijf aan boord.
De vrijstelling geldt ook voor verzekeringen voor het zogenoemde ‘eigen vervoer’ waarvoor geen transportbedrijf is gecontracteerd, maar wel sprake is van bedrijfsmatig vervoer. Het betreft:
Het vervoer van handelsgoederen die afkomstig zijn van of bestemd zijn voor het eigen bedrijf dat door het bedrijf zelf en voor eigen rekening wordt verricht.
Het vervoer van eigen goederen die worden vervoerd om gedurende enige tijd op de plaats van bestemming te blijven. Hierbij kan worden gedacht aan een bedrijfsmiddel zoals een hijskraan die wordt vervoerd naar de bouwplaats om vervolgens tijdens de bouw in te zetten, maar ook aan een kunstwerk dat in een atelier wordt tentoongesteld.
De vrijstelling is niet van toepassing op verzekeringen van eigen goederen die weliswaar worden vervoerd maar niet met uitsluitend het oogmerk om deze naar een andere plaats van bestemming te brengen. Hierbij kan worden gedacht aan de gereedschappen van een aannemer die in zijn bestelbus aanwezig zijn.
Volledigheidshalve merk ik op dat het bovenstaande geen invloed heeft op het beleid ter zake van reizigersbagage. Dit betekent dat de vrijstelling van toepassing is op verzekeringen van reizigersbagage, voor zover deze verzekeringen dekking bieden voor schade of verlies opgelopen tijdens het vervoer van de plaats van vertrek naar de plaats van bestemming en tijdens het verblijf ter plekke. Het maakt daarbij geen verschil of de reizigersbagage door een gecontracteerde vervoerder wordt vervoerd of door de reiziger zelf.
De vrijstelling voor transportverzekeringen geldt voor de verzekering van het transport, inclusief nachtrisicodekking, zonder bijkomende dekking voor verblijfrisico’s. Als transportverzekering is onder andere een geldtransportverzekering aan te merken. Deze verzekering bevat soms een bijzondere clausule, waardoor het verzekerde risico gedurende maximaal drie dagen doorloopt. Dit is het geval als de vervoerder door bijzondere omstandigheden niet in staat is om dezelfde dag waarop hij de gelden heeft ontvangen tot uitbetaling over te gaan. In dat geval is naar mijn oordeel sprake van één verzekering en geldt de vrijstelling onverkort.
De dekking van bijvoorbeeld in havenloodsen opgeslagen zendingen van de verzekerde maakt geen deel uit van de vrijgestelde transportverzekering. De opslag voorafgaand aan of volgend op het transport kan echter volstrekt noodzakelijk samenhangen met het transport. Op voorwaarde dat voor de opslag geen extra premie is verschuldigd, ontmoet het bij mij geen bezwaar om in dat geval slechts één verzekering te zien, namelijk een transportverzekering. Van de genoemde volstrekt noodzakelijke samenhang wordt geacht sprake te zijn bij opslag gedurende maximaal drie maanden. Bij opslag gedurende een periode van langer dan drie maanden moet aannemelijk worden gemaakt dat nog steeds sprake is van een volstrekt noodzakelijke samenhang tussen de opslag en het transport.
De vrijstelling is niet van toepassing op verzekeringen van opgeslagen goederen in een stilliggend schip of een schip dat als een bergplaats van de vervoerder kan worden aangemerkt. Hierbij is niet van belang dat het schip soms naar een andere plaats wordt gebracht.
Een samengestelde verzekering is een verzekering (of samenstel van verzekeringen) die dekking geeft tegen verschillende, op zichzelf staande risico’s, waarvoor de verzekeraar één premie in rekening brengt.
Een samengestelde verzekering kan een of meer vrijgestelde verzekeringen omvatten. De vrijstelling van assurantiebelasting wordt dan toegepast op het aan die vrijgestelde verzekeringen toe te rekenen gedeelte van de premie (artikel 24, tweede lid, WBR). Als er sprake is van een samengestelde verzekering met zowel vrijgestelde als belaste verzekeringen voor de assurantiebelasting waarbij de premie niet eenduidig kan worden gesplitst, kan hierover een verzoek tot vooroverleg worden gedaan aan:
Belastingdienst/kantoor Arnhem
Assurantiebelasting
Postbus 9007
6800 DJ Arnhem
Een bijzondere situatie betreft een transportverzekering met accijnsverzekering. Bijvoorbeeld bij doorvoer van gedistilleerd kan vermogensverlies ontstaan door heffing van accijnzen (of soortgelijke belastingen of rechten) als gevolg van schade tijdens het transport. Tegen dit vermogensverlies kan men zich verzekeren door middel van een accijnsverzekering. Naar mijn oordeel is in een dergelijk geval (eveneens) sprake van een transportverzekering. De accijnsverzekering is aldus vrijgesteld van assurantiebelasting.
Het is mogelijk om naast een transportverzekering een bijkomende verzekering af te sluiten. Zo is bijvoorbeeld een berovingsverzekering mogelijk naast een geldtransportverzekering. Deze bijkomende verzekering deelt dan niet in de vrijstelling. De verschuldigde premie zal dan moeten worden gesplitst in een vrijgesteld deel en een belast deel. Het ontmoet bij mij geen bezwaar om bij deze splitsing in de volgende gevallen gebruik te maken van de daarbij vermelde forfaitaire percentages:
geldtransportverzekeringen, gecombineerd met dekking voor verblijfrisico’s op kantoor. Van de premie wordt 70% toegerekend aan het belastingvrije transportonderdeel en 30% aan het belastbare onderdeel;
fraude- en berovingsverzekeringen, gecombineerd met geldtransportdekking. Van de premie wordt 30% toegerekend aan het belastingvrije transportonderdeel en 70% aan het belastbare onderdeel.
Herverzekeringen zijn vrijgesteld van assurantiebelasting (zie artikel 24, eerste lid, onderdeel g, WBR). De vrijstelling geldt slechts indien uit het contract duidelijk blijkt dat er sprake is van een herverzekering. Een verzekeraar van een bepaald risico moet daarbij zijn uit die verzekering voortvloeiende schadekans aldus bij een andere verzekeraar in (her)verzekering hebben gegeven. Bovendien moet het contract naar het oorspronkelijke risico verwijzen.
Op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel h, WBR zijn exportkredietverzekeringen vrijgesteld van assurantiebelasting. Ter verduidelijking geef ik hierna op hoofdlijnen aan welke verzekeringen en garanties in aanmerking komen voor deze vrijstelling.
Een belangrijk gedeelte van de exportkredietverzekeringen wordt op dit moment, in aanvulling op de particuliere markt, afgegeven door de overheid. In het algemeen kan ervan worden uitgegaan dat op de door de overheid aangeboden exportkredietverzekeringen de genoemde vrijstelling van toepassing is. Dit brengt mee dat de vrijstelling in beginsel ook van toepassing is op soortgelijke exportkredietverzekeringen die door particuliere verzekeraars in de markt worden aangeboden. Bepaalde gevallen van exportkrediet kunnen echter niet met overheidsdekking worden verzekerd omdat Europese regelgeving beperkingen oplegt. Het betreft dan bijvoorbeeld situaties waarbij een bepaald type risico niet langs die weg mag worden verzekerd of situaties met een relatief korte verzekeringsduur. Naar mijn oordeel kan de vrijstelling van toepassing zijn op zodanige exportkredietverzekeringen die door particuliere verzekeraars uiteraard wel mogen worden aangeboden. De vrijstelling geldt echter alleen als die door particuliere verzekeraars aangeboden verzekeringen voor het overige in belangrijke mate inhoudelijk overeenkomen met de exportkredietverzekeringen die wel van overheidswege mogen worden aangeboden.
In alle gevallen geldt voor de toepasselijkheid van de vrijstelling dat er sprake is van een Nederlands belang bestaande uit de export van goederen of diensten. Ik merk in dit verband op dat van een Nederlands belang pas sprake is als vaststaat dat als gevolg van de geldlening – al dan niet in de vorm van een (leveranciers)krediet of rekening courant – of van de verstrekking van eigen vermogen, goederen of diensten hier te lande worden geëxporteerd. Het verstrekken van geldleningen of eigen vermogen naar het buitenland als zodanig is voor de toepassing van de vrijstelling niet aan te merken als een Nederlands belang.
In het bovenstaande is op hoofdlijnen aangegeven welke verzekeringen en garanties in aanmerking komen voor de vrijstelling voor exportkredietverzekeringen. Voor de toepassing van de vrijstelling in de praktijk kunnen concrete casusposities ter beoordeling worden voorgelegd aan:
Belastingdienst/kantoor Arnhem
Assurantiebelasting
Postbus 9007
6800 DJ Arnhem
Artikel 3
Vrijstellingen
Onderdeel van Assurantiebelasting· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 13 mei 2022