Een vruchtgebruiker kan de bevoegdheid tot vertering van aan het vruchtgebruik onderworpen goederen hebben (artikel 215 Boek 3 BW). Op grond van artikel 21, elfde lid, Successiewet wordt de waarde van het verkregene gesteld op de waarde van het goed in onbezwaarde staat, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik. De waarde van het vruchtgebruik moet voor de erf- en schenkbelasting worden bepaald volgens de algemene regels die gelden voor de waardering van een vruchtgebruik (artikel 21, veertiende lid, Successiewet in samenhang met artikel 5 tot en met 10 Uitvoeringsbesluit Successiewet). Daarbij wordt geen rekening gehouden met de interingsbevoegdheid. Verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule hierover wijs ik af.
Artikel 5
Waardering vruchtgebruik met interingsbevoegdheid
Onderdeel van Schenk- en erfbelasting, waardering· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 25 juni 2022