Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Waardering vrijgesteld waarde- en welvaartsvast pensioen

Onderdeel van Schenk- en erfbelasting, waardering· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 25 juni 2022

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 28 januari 1976, nr. 334/74 (BNB 1977/59) beslist dat een geïndexeerde lijfrente een periodieke uitkering tot een onzeker bedrag is. Deze lijfrente moet dan ook worden gewaardeerd met inachtneming van het bepaalde in artikel 21, veertiende lid, Successiewet in samenhang met artikel 8, eerste lid, Uitvoeringsbesluit Successiewet. De vraag is in hoeverre deze uitspraak ook geldt voor de waardering van aan indexatie onderhevige waarde- en welvaartsvaste pensioenen en de waardering van oudedagsverplichtingen die zijn ontstaan door omzetting van een pensioen in eigen beheer in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019. Op praktische gronden keur ik voor zover nodig goed dat bij de toepassing van de imputatiebepaling van artikel 32, tweede lid, Successiewet voor de waardering van waarde- en welvaartsvaste pensioenen geen rekening wordt gehouden met de indexatie van die pensioenen. Oudedagsverplichtingen die zijn ontstaan door omzetting van een pensioen in eigen beheer in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 worden jaarlijks opgerent met een bij ministeriële regeling bepaalde marktrente (artikel 38p, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964). De goedkeuring geldt eveneens voor deze oprenting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel