Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Inleiding

Onderdeel van Beleidsbesluit aanpassing looptijd wegens (getemporiseerde) verhoging van de AOW-leeftijd· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 28 juli 2022

Bij de invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling is via overgangsrecht een voorziening getroffen voor op 31 december 2004 bestaande regelingen voor overbruggingspensioenen als bedoeld in artikel 18e van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004) en prepensioenen als bedoeld in artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004). Onder bepaalde voorwaarden zijn de wettelijke fiscale bepalingen voor deze bestaande regelingen van kracht gebleven. De bedoelde regelingen hebben als kenmerk dat ze moeten eindigen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Als de op 31 december 2004 bestaande regelingen voor overbruggingspensioenen en prepensioenen niet voldoen aan deze laatste voorwaarde kunnen zij worden aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: RVU), dan wel als een onzuivere pensioenregeling. De inhoudingsplichtige van de uitkering wordt dan een pseudo-eindheffing verschuldigd van 52% over de door hem gedane RVU-uitkeringen of er vindt heffing plaats over de waarde van de onzuivere pensioenaanspraken. De reden voor de begrenzing tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar was bij de invoering van deze voorwaarden gelegen in het feit dat voor iedereen de AOW-leeftijd gold van 65 jaar. Met het getemporiseerd opschuiven van de AOW-leeftijd is het belangrijk dat wet- en regelgeving voldoende flexibel is om te voorkomen dat uitkeringen die doorlopen tot de nieuwe AOW-leeftijd onbedoeld leiden tot toepassing van de sanctie van artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964. In dit besluit is daarom voor de hiervoor beschreven situatie een goedkeuring opgenomen voor uitkeringen uit regelingen voor overbruggingspensioenen en prepensioenen. Door invoering van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd kan zich voor ingegane nabestaandenoverbruggingspensioenen als bedoeld in artikel 18f van de Wet op de loonbelasting 1964, de situatie voordoen dat de AOW-leeftijd die bepalend was voor het beëindigen van de uitkeringen tijdens de uitkeringsfase is verlaagd. Contractueel kunnen partijen echter hebben vastgelegd dat de AOW-leeftijd vóór de temporisering bepalend is voor de overeengekomen uitkeringstermijn. Deze nabestaandenoverbruggingspensioenen zouden hierdoor fiscaal onzuiver worden. Dit acht ik ongewenst. Daarom is hiervoor in dit besluit een goedkeuring opgenomen. Dit besluit is een actualisering van het Besluit van 13 december 2019, nr. 2019-0000024804. Bij de eerdere actualisering van dit besluit op 13 december 2019 is per abuis de opgenomen goedkeuring ten aanzien van de uitkeringsperiode van de overbruggingslijfrente beperkt tot uiterlijk de AOW-leeftijd. Dit is hersteld in dit besluit zodat, evenals in het besluit van 17 december 2013, de uitkeringsperiode van de overbruggingslijfrente – naar keuze van de gerechtigde tot die uitkeringen – eindigen in het jaar waarin: de 65-jarige leeftijd wordt bereikt of; de AOW-leeftijd wordt bereikt of; een uitkering op grond van een pensioenregeling ingaat. Verder is een in de praktijk bestaande onduidelijkheid over het uiterste moment waarop de uitkeringen uit een regeling voor overbruggings- of prepensioen in kunnen gaan verduidelijkt. Het uiterste moment waarop de uitkeringen uit een regeling voor overbruggings- of prepensioen in kunnen gaan is het bereiken van de AOW-leeftijd. De goedkeuringen met betrekkingen VUT-regelingen komen te vervallen. Met ingang van 1 januari 2020 is het overgangsrecht van artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964 uitgewerkt. Vanaf die datum kunnen geen VUT-uitkeringen meer worden gedaan met toepassing van een fiscale faciliteit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel