Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Reizen per auto

Onderdeel van Loonheffingen, inkomstenbelasting, winst, vervoer; reiskostenvergoedingen, reizen per auto en openbaar vervoer· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 24 september 2022

De onbelaste kilometervergoeding van maximaal € 0,19 geldt ook in geval van carpoolen voor iedere inzittende, tenzij sprake is van vervoer vanwege de werkgever. Zowel de bestuurder als de meerijders kunnen, voor zover geen sprake is van vervoer vanwege de werkgever, de toegestane onbelaste kilometervergoeding ontvangen. Dit kan desgewenst met toepassing van de hiervoor onder 4.2 weergegeven praktische regeling per werknemer. Voor de bestuurder die in opdracht van de werkgever met zijn eigen auto collega's meeneemt is er geen sprake van vervoer vanwege de werkgever. Bij carpoolen zijn verschillende situaties denkbaar. Hierop wordt hierna nader ingegaan. Als een werkgever met de chauffeur heeft afgesproken dat de chauffeur met zijn eigen auto ook andere werknemers ophaalt, dan kan de chauffeur een onbelaste kilometervergoeding krijgen van maximaal € 0,19 voor de totale afstand, inclusief de omrijkilometers. De omrijkilometers zijn dan als zakelijke kilometers aan te merken. Voor de werknemers die meerijden is dan echter sprake van vervoer vanwege de werkgever. Voor de gecarpoolde kilometers komen die werknemers daardoor niet in aanmerking voor een onbelaste vergoeding. De werkgever die de bestuurder een vergoeding van € 0,29 per kilometer geeft onder de verplichting dat hij collega's meeneemt naar het werk, organiseert feitelijk het vervoer voor de collega's van de chauffeur. In zo'n geval kunnen deze collega's geen onbelaste vergoeding krijgen (vervoer vanwege de werkgever). De vergoeding die de bestuurder ontvangt behoort tot het loon. Daarvan is € 0,19 per kilometer gericht vrijgesteld en kan de werkgever de rest aanwijzen als eindheffingsbestanddeel. Het is niet mogelijk dat de werkgever deze € 0,10 "op papier" toekent aan een meerijder, die in verband met het carpoolen een "afstandsverklaring" invult ten gunste van de bestuurder. De werkgever betaalt aan de bestuurder dan feitelijk een bovenmatig bedrag, terwijl bovendien voor de meerijder sprake is van vervoer vanwege de werkgever. Als de chauffeur en de meerijder(s) onderling, zonder meerijregeling van de werkgever, hebben besloten om te gaan carpoolen, kan de werkgever aan de chauffeur maar ook aan de meerijder(s) de onbelaste vergoeding betalen van maximaal € 0,19 per kilometer. In dat geval mag de werkgever echter geen onbelaste vergoeding geven voor eventuele omrijkilometers, omdat de omrijkilometers in dat geval een privékarakter hebben. Als de meerijders op grond van de onderlinge afspraak (een deel van) hun vergoeding aan de chauffeur geven (de meerijder heeft immers tijdens het meerijden geen reiskosten) heeft dat geen fiscale gevolgen. Dan is er namelijk geen sprake van vervoer vanwege de werkgever. Dat de werkgever feitelijk aanwijst welke werknemers op een bepaalde arbeidsplaats worden verwacht brengt hierin geen verandering, tenzij hij aanwijst wie de chauffeur is en wie de chauffeur meeneemt, of als hij zich anderszins in het carpoolen mengt. Het moet immers een vrije keuze van de werknemers blijven. Ook een belangstellingsregistratie (bijvoorbeeld in de kantine of via intranet) leidt niet tot vervoer vanwege de werkgever, als daaruit voor de werknemers geen carpoolverplichtingen jegens de werkgever voortvloeien. Er is dan geen sprake van "door de werkgever georganiseerd vervoer". Het voorgaande brengt bijvoorbeeld mee dat er geen sprake is van vervoer vanwege de werkgever in de volgende situatie. Ter bevordering van het carpoolen betaalt een werkgever aan carpoolers een hogere vergoeding (maar – onbelast – maximaal € 0,19 per kilometer) dan aan niet-carpoolers. Om carpoolers in aanmerking te laten komen voor de hogere vergoeding, maakt de werkgever kenbaar dat het de verantwoordelijkheid is van de werknemers wie als chauffeur fungeert en wie als meerijder(s). De carpoolers moeten aan de werkgever kenbaar maken dat zij carpoolen en met wie. De carpoolers ontvangen een vergoeding, waarvan de hoogte niet afhankelijk is van het feit dat zij bestuurder dan wel meerijder zijn. Een werknemer die met een voor privédoeleinden ter beschikking gestelde of staande auto (hierna: auto van de zaak) zakelijke kilometers aflegt komt voor deze kilometers niet in aanmerking voor de onbelaste kilometervergoeding. Voor deze kilometers is feitelijk sprake van vervoer vanwege de werkgever. Als hij echter besluit ook collega's in de auto van de zaak mee te nemen, komen zijn collega's in aanmerking voor de onbelaste kilometervergoeding. Dat geldt niet als de werkgever organiseert dat die werknemers meereizen; dan is ook voor hen sprake van vervoer vanwege de werkgever. Een wachtdienst is een bepaalde periode waarbinnen een werknemer oproepbaar is, doorgaans aan de hand van een roulatiesysteem. Als een werknemer tijdens een wachtdienst een auto van de zaak gebruikt voor familiebezoek, is het karakter van die rit privé. Het karakter van de rit kan echter gedeeltelijk wijzigen in zakelijk als de werknemer een oproep van zijn werkgever ontvangt. In zo'n geval zijn alleen de eerste kilometers privé. Ik acht het gewenst een praktische regeling te treffen voor wachtdiensten. Ik keur daarom met toepassing van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) het volgende goed. Ik keur goed dat als een werknemer voor een wachtdienst een auto van de zaak krijgt, de gereden kilometers tijdens deze wachtdienst als zakelijk worden aangemerkt. Hiervoor gelden de volgende vier voorwaarden. De werknemer heeft geen invloed op de keuze van de aangeschafte auto. De werknemer beschikt in privé over een auto die voor privégebruik evenzeer of zelfs meer geschikt is dan de auto van de zaak. De werknemer is verplicht tijdens de wachtdienst binnen een redelijke afstand van zijn woonplaats te blijven. Het aantal kilometers dat tijdens de wachtdienst wordt gereden en het aantal en de plaats van de werkzaamheden waarvoor de werknemer is opgeroepen worden bijgehouden. Het is daarbij aan de belanghebbende(n) om aannemelijk te maken dat zo'n situatie zich voordoet. In de praktijk blijkt onduidelijkheid te bestaan over de fiscale aspecten als een werkgever een oplaadvoorziening (hierna: laadpaal) laat plaatsen in of bij de woning van de werknemer voor een (semi-)elektrische auto die de werkgever ter beschikking stelt. Het kan hierbij gaan om uiteenlopende uitvoeringen van laadpalen en van de eventueel benodigde aanpassingen, zoals het plaatsen van een extra groep in de meterkast of het verzwaren van de hoofdzekering. Doorgaans is het plaatsen van een laadpaal niet opgenomen in de catalogusprijs van een (semi-)elektrische auto. Onduidelijkheid over de fiscaliteit kan de overgang naar elektrisch rijden ontmoedigen. Dit acht ik ongewenst en daarom keur ik om redenen van eenvoud en doelmatigheid het volgende goed. De goedkeuring is vooruitlopend op wetgeving. Ik keur goed dat het plaatsen van een laadpaal in of bij de woning van een werknemer voor een (semi-)elektrische auto die de werkgever ter beschikking stelt, geacht wordt deel uit te maken van de terbeschikkingstelling van de auto. Deze goedkeuring geldt ook voor een vergoeding voor het plaatsen van de laadpaal, als de werknemer op verzoek van de werkgever de laadpaal op eigen kosten plaatst of laat plaatsen. De goedkeuring heeft tot gevolg dat in deze situaties het plaatsen van de laadpaal (of het vergoeden daarvan) geen afzonderlijke gevolgen heeft voor de vaststelling van het loon en daarmee de loonheffingen. Voor werknemers bij wie rekening wordt gehouden met een bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak, wordt (het plaatsen van) de laadpaal geacht deel uit te maken van de gebruikskosten van de auto die door middel van de bijtelling in de loonheffingen worden betrokken. Er hoeft geen rekening gehouden te worden met een additioneel bedrag aan loon (in natura), ongeacht of een laadpaal is opgenomen in de catalogusprijs. Als geen sprake is van een bijtelling omdat de auto van de zaak aantoonbaar voor niet meer dan 500 privékilometers per jaar wordt gebruikt, wordt ook (het plaatsen van) de laadpaal geacht voor zakelijk gebruik te zijn bedoeld. De goedkeuring geldt niet voor de benodigde elektriciteit. Wel acht ik het denkbaar dat werkgever en werknemer overeenkomen dat de werknemer de feitelijk verbruikte elektriciteit voor een ter beschikking gestelde auto tegen kostprijs doorlevert aan de werkgever. Tot de kostprijs behoren in zo’n geval ook de kosten van een meter om het feitelijke verbruik te kunnen vaststellen. Bij gebruik van zonnepanelen kan een werkgever een vergoeding geven die overeenkomt met het bedrag dat een energiemaatschappij in rekening zou brengen. Een dergelijke overeenkomst heeft geen gevolgen voor de vaststelling van het loon en daarmee de loonheffingen. Als een werkgever een laadpaal bekostigt voor een eigen auto van de werknemer is de goedkeuring niet van toepassing. In dat geval kan de werkgever niet meer onbelast vergoeden dan € 0,19 per zakelijke kilometer (inclusief woon-werkverkeer). De kosten voor de elektriciteit worden geacht te zijn begrepen in de onbelaste vergoeding. De hiervoor vermelde goedkeuring is van overeenkomstige toepassing op een ondernemer-natuurlijk persoon die in zijn onderneming een (semi-)elektrische auto gebruikt die tot het ondernemingsvermogen behoort. De met de (semi-)elektrische auto en de oplaadvoorziening samenhangende kosten kunnen voor de winstbepaling in aanmerking worden genomen. De hiervoor vermelde goedkeuring houdt in dat in verband met de onttrekking wegens privégebruik auto de laadpaal geacht wordt deel uit te maken van de terbeschikkingstelling van de auto. Er vindt geen verhoging van de in aanmerking te nemen catalogusprijs plaats. Het autokostenforfait ("privégebruik auto") heeft betrekking op het voordeel van de auto van de zaak. De wetgever heeft hiermee de auto van de zaak op praktische wijze in de belastingheffing betrokken. Een dergelijke bepaling is niet vrij van een zekere ruwheid; dit is een kenmerk van forfaitaire regelingen. De Wet IB 2001 en de Wet LB hanteren inzake de auto van de zaak een vooronderstelling: de auto wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te staan of te zijn gesteld. Dit is alleen anders als blijkt dat niet meer dan 500 kilometer op kalenderjaarbasis privé met de auto wordt gereden. Bij meerdere auto's geldt de grens van 500 kilometer per auto. Gelet op de bewuste keuze van de wetgever wijs ik tot dusver – ook na zorgvuldige toetsing – verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule met betrekking tot de regeling voor privégebruik met een auto van de zaak steeds af. Dit geldt bijvoorbeeld voor situaties waarin het bedrag van het autokostenforfait hoog is in verhouding tot het aantal daadwerkelijk gereden privékilometers, situaties waarin een duurdere auto wordt gebruikt dan de belastingplichtige gelet op zijn maatschappelijke positie in privé zou hebben aangeschaft of wanneer de werkelijke kosten lager zijn dan het autokostenforfait.

Rechtspraak bij dit artikel