Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Vergunningvoorschriften

Onderdeel van Beleidsregel toepassen beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning archeologische rijksmonumentenactiviteit· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024

Op grond van artikel 5.34, eerste lid, Omgevingswet, is het bevoegd gezag verplicht om aan een omgevingsvergunning voorschriften te verbinden als de in de beoordelingsregels opgenomen belangen dat nodig maken. De voorschriften mogen dus alleen met het oog op de beoordelingsregels worden opgenomen. Artikel 8.81 Bkl stelt verduidelijkende regels over de wijze van toepassing van voorschriften door het bevoegd gezag. Een aantal voorschriften wordt standaard aan de omgevingsvergunning verbonden. Deze voorschriften moeten een tijdige en juiste uitvoering borgen van de (archeologische) werkzaamheden, conform de verleende vergunning. Daarnaast kunnen aan de omgevingsvergunning specifieke voorschriften worden verbonden. Dit zijn bijvoorbeeld de voorschriften, bedoeld in artikel 8.81 Bkl. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Aan een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden: de verplichting de werkzaamheden binnen een gestelde termijn te starten; de verplichting om de vergunningvoorschriften tijdig en voor aanvang van de werkzaamheden bekend te maken aan de opdrachtnemer(s) van de werkzaamheden (waaronder ook eventuele onderaannemers); de verplichting om feiten of omstandigheden die uitvoering van de rijksmonumentenactiviteit conform de verleende vergunning in de weg staan zo spoedig mogelijk schriftelijk te melden; en indien van toepassing: de verplichting de werkzaamheden uit te voeren conform de genoemde, goedgekeurde versie van de profiel-, bestek- of funderingstekeningen of het programma van eisen voor het archeologisch onderzoek. Ook de uitvoerders zijn gehouden aan de voorschriften. De vergunninghouder blijft echter te allen tijde verantwoordelijk voor de uitvoering van de werkzaamheden. De standaardtermijn waarbinnen de werkzaamheden waarvoor vergunning is verleend moeten zijn gestart is 18 maanden, tenzij archeologisch onderzoek tot de werkzaamheden behoort. In dat geval wordt een termijn van één jaar aangehouden in verband met de beperkte houdbaarheid van een programma van eisen. De termijn waarbinnen de werkzaamheden moeten zijn gestart, kan worden verlengd als een schriftelijk verzoek daartoe door de aanvrager binnen de in de beschikking gestelde termijn is ingediend. Als archeologisch onderzoek is voorgeschreven, kan de aanvrager in dat kader verplicht worden tot actualisering van het bijbehorende programma van eisen of plan van aanpak. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Naast de standaardvoorschriften kunnen op grond van artikel 8.81 Bkl ook specifieke voorschriften worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit. Dat kunnen onder meer de volgende voorschriften zijn. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Voorschriften over technische maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden het gebruik van licht materieel, of vaste rijroutes voor zware machines, of het gebruik van rijplaten om schadelijke insporing te voorkomen. Technische maatregelen om schade aan het bodemarchief te voorkomen kunnen ook al via planaanpassing worden gerealiseerd. Als planaanpassing mogelijk is, moet de aanvraag worden gewijzigd, of zal – in geval van een ingrijpende wijziging – een nieuwe aanvraag moeten worden ingediend. In een aan de vergunning te verbinden voorschrift zal dan worden verwezen naar de in dat verband gewijzigde tekeningen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Als een noodzakelijke en schadelijke of ontsierende rijksmonumentenactiviteit – gelet op de belangenafweging – onvermijdelijk is en planaanpassing niet of onvoldoende mogelijk, zal opgraving van het bodemarchief op professionele wijze nodig zijn om de archeologische resten ex situ te behouden. Dit moet voorafgaand aan de voorgenomen activiteit plaatsvinden. In dit verband kunnen ook technische maatregelen nodig zijn, zoals het toepassen van bronbemaling om archeologisch onderzoek in de bouwput naar behoren te kunnen uitvoeren. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. In bepaalde situaties, wanneer een risico bestaat dat toch archeologische resten worden geraakt of verstoord, kan een archeologische begeleiding worden voorgeschreven. Een archeologische begeleiding wordt op professionele wijze verricht volgens het protocol 4004 uit de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) voor een archeologische opgraving. Voor handelingen waarvoor geen certificaat verplicht is, zoals het op land verzamelen en documenteren van archeologische vondsten zonder daarbij de bodem te verstoren, kunnen specifieke eisen worden gesteld aan de deskundigheid van de bij de archeologische begeleiding betrokken personen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Met het voorschrift om de opgraving of begeleiding op een bepaalde wijze te verrichten, worden die eisen bedoeld die in de KNA als een ‘programma van eisen’ worden aangeduid. Hierin worden onder meer de doel- en vraagstelling van het onderzoek, de onderzoeksmethode(n) en de vereiste kennis en ervaring van de uitvoerders vastgelegd. Na het veldwerk wordt ingevolge de KNA een evaluatierapport opgesteld op basis waarvan de resultaten van het gravend onderzoek worden uitgewerkt. Tot voornoemde eisen behoort ook de eis dat dit evaluatierapport ter goedkeuring aan het bevoegd gezag wordt voorgelegd. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel