Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Toepassing beoordelingsregels

Onderdeel van Beleidsregel toepassen beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning archeologische rijksmonumentenactiviteit· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024

Bij de toepassing van de beoordelingsregels voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument moet onderscheid worden gemaakt tussen activiteiten met beschadiging van de archeologie als neveneffect en activiteiten met archeologisch onderzoek als doel. Bij de eerste categorie activiteiten kan bijvoorbeeld gedacht worden aan grondwerkzaamheden op natuurterreinen en in agrarisch gebied, bouw-, sloop- en inrichtingswerkzaamheden, het aanleggen of onderhouden van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen, kabels en leidingen, het planten of verwijderen van diepwortelende bomen en struiken, het dempen of graven van waterlopen en het veranderen van de grondwaterstand. De tweede categorie activiteiten bestaat uit vraaggericht wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld om kennislacunes over ons verleden op te vullen of om de fysieke kwaliteit van het archeologisch monument nader te bepalen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een activiteit op een archeologisch rijksmonument met beschadiging daarvan als neveneffect worden bij de belangenafweging drie stappen doorlopen. Allereerst wordt beoordeeld of de voorgenomen activiteit schadelijk of ontsierend is, of het archeologisch monument in gevaar brengt. Daarna volgt een beoordeling van de noodzaak van de activiteit. Tot slot wordt nagegaan of planaanpassing mogelijk is. Zie de bijlage voor een grafische weergave. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Aan de hand van de waarderingscriteria, vastgelegd in de door de archeologische beroepsgroep vastgestelde kwaliteitsnorm (zie bijlage IV ‘Waarderen van vindplaatsen’ bij de protocollen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie) wordt nagegaan of de voorgenomen activiteit schadelijk is, dan wel het archeologisch monument ontsiert of in gevaar brengt. Daarvoor wordt onderzocht of de fysieke kwaliteit (gaafheid en conservering) van het rijksmonument door de activiteit achteruitgaat. Daardoor kan ook de inhoudelijke kwaliteit (met name de informatiewaarde) van het archeologisch monument verminderen. De fysieke staat kan achteruit gaan door bodemverstoring (voorbeelden hiervan zijn vergravingen, ontgravingen of paalfunderingen), deformatie (door bijvoorbeeld belasting van het maaiveld) of degradatie (door bijvoorbeeld verlaging van het grondwaterpeil). Voor zichtbare archeologische monumenten wordt bovendien nagegaan of de activiteit zodanig ontsierend is dat de belevingswaarde (zichtbaarheid/schoonheid en herinneringswaarde) wordt aangetast. Activiteiten die de belevingswaarde van archeologische monumenten aantasten of de mogelijkheid voor monitoring (van de fysieke staat) en toekomstig wetenschappelijk onderzoek beperken, zijn in beginsel niet in overeenstemming met het belang van de archeologische monumentenzorg. Dit geldt in het bijzonder voor bouwactiviteiten met veel bodemingrepen waarbij het rijksmonument in verschillende bouwkavels wordt opgesplitst en door meerdere bouwwerken wordt beschadigd of ontoegankelijk gemaakt voor toekomstig onderzoek. Als een rijksmonumentenactiviteit het archeologisch monument niet beschadigt of ontoegankelijk maakt voor toekomstig archeologisch onderzoek of, bij een zichtbaar archeologisch monument, niet ontsiert, is deze in overeenstemming met het belang van de archeologische monumentenzorg en wordt de omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (onder voorwaarden) verleend. Ook activiteiten die verband houden met een passende, archeologievriendelijke nieuwe functie of (her)inrichting van het rijksmonument zijn in beginsel in overeenstemming met het belang van de archeologische monumentenzorg. Hierbij vormen de archeologische waarden het uitgangspunt voor het ruimtelijk ontwerp en inrichting en wordt het bodemarchief zo min mogelijk verstoord. De ingrepen moeten bijdragen aan het duurzaam behoud van het archeologisch monument en de belevingswaarde ervan versterken. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Bij schadelijke of ontsierende activiteiten wordt beoordeeld of de voorgenomen activiteit noodzakelijk is en welk belang de aanvrager heeft bij de activiteit. Is een schadelijke activiteit niet noodzakelijk, dan is de activiteit niet in overeenstemming met het belang van de archeologische monumentenzorg. Voorbeelden van vanuit maatschappelijk oogpunt niet-noodzakelijke activiteiten zijn de aanleg van een trampoline, kelder, vijver of zwembad voor privégebruik. Het algemene belang van het behoud in situ van het archeologisch monument weegt zwaarder in dergelijke gevallen. Bij de beoordeling van de noodzaak van activiteiten wordt onderscheid gemaakt tussen het gebruik van het archeologisch monument ten tijde van de aanwijzing als rijksmonument (‘bestaand gebruik’) en wijzigingen in het gebruik die nadien zijn doorgevoerd of die de aanvrager voornemens is. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Activiteiten die voortvloeien uit het bestaande gebruik kunnen noodzakelijk zijn in geval van (bedrijfs)economische belangen. Als de activiteit vereist is voor de continuering van het ten tijde van de aanwijzing bestaande gebruik, dan wordt deze als noodzakelijk opgevat. Voorbeelden van (bedrijfs)economische belangen zijn: onderhoud, beheer, aanpassing of uitbreiding van bedrijfsgebouwen. Ook kunnen bijzondere (persoonlijke) omstandigheden van de aanvrager een ingreep met betrekking tot een archeologisch monument noodzakelijk maken. Voorbeelden hiervan zijn: ziekte, invaliditeit of een zorgbehoefte. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Is een terrein eenmaal als rijksmonument aangewezen, dan mag van de eigenaar en de gemeente verwacht worden dat daar bij wijziging van het gebruik of de functie-toedeling rekening mee wordt gehouden. De noodzaak van schadelijke activiteiten die verband houden met een ander (nieuw) gebruik van het archeologisch monument moet dan ook per geval worden vastgesteld. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Bij schadelijke of ontsierende activiteiten zal in overleg met de initiatiefnemer, bij voorkeur voorafgaand aan de aanvraag, de mogelijkheid tot planaanpassing worden verkend om schade aan het rijksmonument te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit kan immers mogelijk wel worden verleend als het plan zodanig wordt aangepast (en de aanvraag ook) dat het bodemarchief zoveel mogelijk wordt ontzien (behoud in situ). Planaanpassing kan bestaan uit het kiezen van een alternatieve locatie voor de activiteit waardoor niet of veel minder wordt verstoord. Planaanpassing kan ook betrekking hebben op het treffen van technische maatregelen om schade aan het bodemarchief te voorkomen. Voorbeelden van technische maatregelen zijn het aanbrengen van een ophogingslaag, het aanpassen van de funderingswijze of het beperken van het aantal heipalen. Een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit wordt geweigerd als de aanvrager niet bereid is tot planaanpassing terwijl er – mede gelet op de omstandigheden van de aanvrager – praktisch uitvoerbare alternatieven zijn die het archeologisch monument niet of aanzienlijk minder aantasten. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Bij schadelijke of ontsierende, maar noodzakelijke rijksmonumentenactiviteiten die verband houden met het ten tijde van de aanwijzing als rijksmonument bestaande gebruik en waarvoor geen redelijk en minder schadelijk of ontsierend alternatief denkbaar is, zal de omgevingsvergunning doorgaans onder voorwaarde van archeologisch onderzoek worden verleend. Omvangrijke ingrepen waardoor de archeologische waarde van het archeologisch monument vrijwel volledig verloren zou gaan, zijn ondanks een eventuele (bedrijfseconomische) noodzaak voor het bestaande gebruik niet in overeenstemming met het belang van de archeologische monumentenzorg. Voorbeelden van dergelijke omvangrijke ingrepen zijn diepploegen of afgraven. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit wordt dan in beginsel geweigerd. Alleen als sprake is van een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang, kan de omgevingsvergunning onder voorwaarde van archeologisch onderzoek worden verleend. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Archeologische rijksmonumenten zijn gebaat bij passende functies die de archeologische waarden niet aantasten, ontsieren of het archeologisch monument ontoegankelijk(er) maken voor wetenschappelijk onderzoek. Daar waar nieuwe functies aan de locatie worden gegeven, kan het adagium ‘behoud door ontwikkeling’ een positieve uitwerking hebben op het archeologisch monument als het daardoor duurzaam behouden wordt en voor het publiek beleefbaar gemaakt. In een dergelijk geval zal de omgevingsvergunning doorgaans onder voorwaarde van archeologisch onderzoek worden verleend. Bij schadelijke of ontsierende rijksmonumentenactiviteiten die verband houden met een na de aanwijzing als rijksmonument gewijzigd gebruik of met een beoogd gebruik en waarvoor geen redelijk en minder schadelijk of ontsierend alternatief denkbaar is, wordt de omgevingsvergunning uitsluitend verleend bij een zwaarwegend algemeen (maatschappelijk) belang bij het verrichten van de activiteit. Ook dan onder voorwaarde van archeologisch onderzoek. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor uitsluitend (bodem)verstorend archeologisch onderzoek van het archeologisch rijksmonument wordt beoordeeld of dit in overeenstemming is met het belang van de archeologische monumentenzorg. In dat geval wordt de omgevingsvergunning voor de rijksmonumentenactiviteit onder voorwaarden verleend. In vijf gevallen waarin de activiteit is gericht op behoud (in situ dan wel ex situ) van de archeologische waarden is er in beginsel overeenstemming met het belang van de archeologische monumentenzorg: Als het onderzoek tot doel heeft kennis te verwerven over de fysieke staat van het archeologisch monument, om dit duurzaam in situ te kunnen behouden, en het de bodem zo min mogelijk verstoort (bijvoorbeeld degradatieonderzoek, monitoringsonderzoek en funderingsonderzoek); Als het onderzoek substantieel bijdraagt aan de wetenschappelijke kennis over het verleden en de onderzoeksvragen alleen op het desbetreffende archeologisch rijksmonument beantwoord kunnen worden; Als het onderzoek een nadere waardestelling van het rijksmonument betreft; Als het onderzoek tot doel heeft de archeologische waarden door middel van een opgraving veilig te stellen omdat het bodemarchief zodanig wordt bedreigd door natuurlijke processen of menselijke activiteiten, dat het archeologisch monument – op grond van een door onderzoek beredeneerde verwachting – binnen een bepaalde termijn zijn betekenis voor de wetenschap verliest; of het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van inrichtingsmaatregelen die tot doel hebben het archeologisch monument duurzaam in situ te behouden en zo mogelijk voor het publiek beleefbaar te maken. Een omgevingsvergunning wordt geweigerd als het onderzoek nodeloos beschadigend is, niet noodzakelijk is, of als de aanvrager niet bereid is tot een noodzakelijke aanpassing van het onderzoek. Zie ook hier de bijlage voor een grafische weergave. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt.

Rechtspraak bij dit artikel