**1.** Door het bedrijfstakpensioenfonds wordt getoetst of aan de pensioenregeling van de werkgever ten minste gelijkwaardige aanspraken worden ontleend als aan de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000. Hierbij toetst het bedrijfstakpensioenfonds of:
de contante waarde van de toekomstige uitkeringsstromen volgens de pensioenregeling van de werkgever gelijk is aan ten minste 100% van de contante waarde van de uitkeringsstromen van de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds, waarbij deze kwantitatieve gelijkwaardigheid wordt aangetoond door middel van een deterministische analyse op basis van het actieve deelnemersbestand van de werkgever of van het modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds, of door middel van een stochastische analyse, indien zowel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds als het bedrijfstakpensioenfonds hiermee instemt;
voor het pensioen op opbouwbasis de premie in de pensioenregeling bij de werkgever ten minste even hoog is als de premie in de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds, waarbij in de premie de opslagen voor administratieve uitvoeringskosten niet worden meegenomen en evenmin de kosten van vermogensbeheer en transactiekosten voor zover deze niet zijn meegenomen in het rendement;
de uitkeringshoogte van iedere pensioensoort op risicobasis in de pensioenregeling bij de werkgever ten minste even hoog is als de uitkeringshoogte van dezelfde pensioensoort op risicobasis in de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds; en
de werkgever ten minste dezelfde beoogde pensioendoelstelling als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Pensioenwet, hanteert als het bedrijfstakpensioenfonds, indien deze een pensioendoelstelling hanteert.
**2.** Bij de toets aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is artikel 5, eerste tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing en bij de toets aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, is artikel 6, eerste, tweede, vierde en zesde lid van overeenkomstige toepassing.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit van 15
augustus 2025 houdende de wijziging van het Vrijstellings- en
boetebesluit Wet Bpf 2000 in verband met informatieverstrekking voor
onderzoek, wijziging van het begrip dezelfde aanspraken en wijziging
van het overgangsrecht Wet toekomst pensioenen (Stb. 2025/245) in
werking treedt.
Artikel 6a
Gelijkwaardige aanspraken
Onderdeel van Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 30 september 2025