In artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn de rechtsvormen opgenomen die voor de heffing van de vennootschapsbelasting als binnenlandse belastingplichtigen worden aangemerkt. In de onderdelen a, b, c en d van het eerste lid en in het derde lid van dit artikel worden de lichamen genoemd die volledig belastingplichtig zijn. Deze lichamen worden geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen.1Artikel 2, zesde lid, Wet Vpb 1969.
De niet in voormelde onderdelen a, b, c en d genoemde verenigingen, stichtingen en andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen zijn belastingplichtig, indien en voor zover zij een onderneming drijven (artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969). Dit besluit geeft een nadere invulling aan en uitleg over de belastingplicht van stichtingen en verenigingen.
Dit besluit is een actualisering van het beleid dat is opgenomen in het besluit van 23 december 2005, nr. CPP2005/2730M. Dit beleid is op onderdelen aangepast of verduidelijkt. Het besluit bevat verder enkele nieuwe onderdelen. De belangrijkste wijzigingen zijn hieronder weergegeven.
Er is beleid opgenomen over het criterium ‘deelname aan het economische verkeer’ (onderdeel 2.2).
Het onderdeel over ‘winststreven’ is uitgebreid (onderdeel 2.3). In het onderdeel ‘winststreven en gesubsidieerde instellingen’ (onderdeel 2.3.1) is zowel een verduidelijking als een verruiming van het huidige beleid opgenomen.
Het onderdeel over het concurrentiecriterium is geactualiseerd (onderdeel 3). De voorbeelden die zijn opgenomen in onderdeel 4 van het besluit met nr. CPP2005/2730M zijn komen te vervallen. Met deze aanpassing is geen inhoudelijke wijziging beoogd.
Er is beleid opgenomen over de regeling integrale belastingplicht (onderdeel 4 en bijlage I).
Er is een verduidelijking opgenomen van de vereisten waaraan een lichaam dat een sociaal belang behartigt moet voldoen om gebruik te kunnen maken van de fictieve loonkostenaftrek (onderdeel 5).
ANBI: een algemeen nut beogende instelling als bedoeld in artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
AWR:Algemene wet inzake rijksbelastingen
Awb:Algemene wet bestuursrecht
Bestedingsreserve: de regeling van artikel 12 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Bestuursorgaan: een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 Awb
Concurrentiecriterium: het criterium waaraan wordt getoetst om te bepalen of wordt voldaan aan artikel 4, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Contractfinanciering: vergoedingen die op contractbasis worden ontvangen
Fictieve loonkostenaftrek: de regeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Gesubsidieerde activiteiten: activiteiten waarvoor subsidies als bedoeld in afdeling 4.2.1 Awb worden of zijn verstrekt
Instelling/lichaam: een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
(Materiële) onderneming: het drijven van een onderneming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, juncto artikel 4 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Regeling integrale belastingplicht: de regeling van artikel 2, tiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen: de vrijstelling van artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Subsidiabele activiteiten: activiteiten die in aanmerking kunnen komen voor subsidies als bedoeld in afdeling 4.2.1 Awb, maar waarvan financiering op andere wijze plaatsvindt door het bestuursorgaan
Subsidies: subsidies als bedoeld in afdeling 4.2.1 Awb
Wet IB 2001:Wet inkomstenbelasting 2001
Wet Vpb 1969:Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Artikel 1
Inleiding
Onderdeel van Besluit belastingplicht van stichtingen en verenigingen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 24 augustus 2023