Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Regeling integrale belastingplicht

Onderdeel van Besluit belastingplicht van stichtingen en verenigingen· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 24 augustus 2023

Stichtingen, verenigingen en andere lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, Wet Vpb 1969 zijn slechts belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting indien en voor zover zij een onderneming drijven. Daardoor kan er binnen het lichaam sprake zijn van een belast ondernemingsdeel en een onbelast niet-ondernemingsdeel. Gevolg hiervan is dat uitgaven die niet zijn gedaan in het kader van de onderneming niet in mindering op de winst kunnen worden gebracht. Gedeeltelijk belastingplichtige stichtingen en verenigingen die zijn aangemerkt als culturele ANBI,15Artikel 5b, vierde en zesde lid, AWR. kunnen evenwel onder door Onze Minister te stellen voorwaarden opteren voor integrale belastingplicht (artikel 2, tiende lid, Wet Vpb 1969). Door te opteren voor integrale belastingplicht kunnen de resultaten behaald met de niet-ondernemingsactiviteiten worden gesaldeerd met de resultaten behaald met de ondernemingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, juncto artikel 4 Wet Vpb 1969. De keuze voor integrale belastingplicht heeft namelijk tot gevolg dat het gehele vermogen van de betreffende stichting wordt geacht ondernemingsvermogen te zijn. Het verzoek om toepassing van de regeling integrale belastingplicht wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking ingewilligd als aan de vereisten van deze regeling is/wordt voldaan. Bij inwilliging van het verzoek geldt de integrale belastingplicht voor een periode van minimaal 10 jaar of een veelvoud daarvan. In de beschikking worden de door de Minister van Financiën gestelde voorwaarden opgenomen. In bijlage I is een overzicht gegeven van de voorwaarden die in elk geval worden gesteld. Deze voorwaarden kunnen afhankelijk van de concrete situatie worden aangepast en/of verder worden aangevuld. Met de voorwaarden wordt onder meer bewerkstelligd dat de voordelen die zijn verbonden aan de integrale belastingplicht – waaronder saldering van resultaten behaald met de niet-ondernemingsactiviteiten met de resultaten behaald met de ondernemingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, juncto artikel 4 Wet Vpb 1969 – beperkt zijn tot de periode van de integrale belastingplicht. Op deze wijze wordt voorkomen dat de faciliteit doorwerking heeft naar jaren waarin de faciliteit nog niet of niet meer kan worden toegepast. De voorwaarden zijn opgenomen in bijlage I. In deze bijlage zijn geen voorwaarden opgenomen over bijvoorbeeld buitenlandse bronbelasting, latent liquidatieverlies, stakingsverlies, objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten en deelnemingsverrekening. Mocht een dergelijke regeling in een individuele situatie van toepassing zijn of er een andere reden zijn om nog nadere voorwaarden te stellen ter verzekering van de heffing en de invordering van belasting, dan zal van geval tot geval worden bezien of, en zo ja, in hoeverre, er – naast de in bijlage I opgenomen voorwaarden – aanvullende voorwaarden worden gesteld. Een culturele ANBI die een materiële onderneming drijft en in aanmerking wil komen voor de toepassing van de regeling integrale belastingplicht, moet een daartoe strekkend verzoek indienen bij de inspecteur die belast is met de aanslagregeling vennootschapsbelasting van het betreffende lichaam. Dit verzoek moet uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het boekjaar waarop het verzoek voor het eerst betrekking heeft, zijn ingediend bij de Belastingdienst. De inspecteur beoordeelt of aan de vereisten is voldaan. Vervolgens zendt de inspecteur het verzoek – voorzien van zijn ambtsbericht – zo spoedig mogelijk door naar Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek, cluster VPB-IBwinst, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag. Daar wordt het verzoek beoordeeld en een beschikking voorbereid. Vervolgens wordt de inspecteur, onder toezending van een conceptbeschikking, toegestaan op het verzoek te beslissen. Wordt het verzoek ingewilligd, dan geeft de inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking af conform de toestemming en de daarbij opgenomen voorwaarden. Is het verzoek niet voor inwilliging vatbaar, dan wijst de inspecteur het verzoek af bij voor bezwaar vatbare beschikking, onder vermelding van de motivering. In de Wet Vpb 1969 is een subjectieve vrijstelling opgenomen voor stichtingen en verenigingen die slechts beperkt winstgevende ondernemingsactiviteiten verrichten.16Artikel 6 Wet Vpb 1969. Deze subjectieve vrijstelling is van rechtswege van toepassing als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. De toepassing van de subjectieve vrijstelling kan nadelig uitwerken. Dit is bijvoorbeeld het geval als de stichting of vereniging te maken heeft met wisselende resultaten. De vrijstelling heeft namelijk een eindafrekening tot gevolg als er daarvoor sprake was van belastingplicht. Ook kan een verlies uit een vrijgesteld jaar niet worden verrekend. De mogelijkheid bestaat dat door gebruik te maken van de regeling integrale belastingplicht de subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen op het lichaam van toepassing is. Om nadelige gevolgen voor de vennootschapsbelasting te voorkomen, voorziet artikel 6 Wet Vpb 1969 in de mogelijkheid om te opteren voor belastingplicht en daarmee af te zien van deze vrijstelling. Vereist is hiervoor dat het lichaam tijdig een verzoek doet om de vrijstelling achterwege te laten.17Artikel 6, derde en vierde lid, Wet Vpb 1969. Zie in dit verband ook het beleidsbesluit ‘Vennootschapsbelasting. Subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen’.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel