Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Gedragsaanwijzing, vrijheidsbeperkende maatregel en gratie

Onderdeel van Aanwijzing kader voor toepassing van voorwaarden, gedragsaanwijzingen en maatregelen· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024

Deze gedragsaanwijzing op last van de officier van justitie dient te strekken tot het onmiddellijk voorkomen of beëindigen van strafbaar gedrag dat de openbare orde ernstig verstoort, belastend is voor personen, herhaald gevaar voor goederen oplevert door herhaalde vernielingen dan wel in verband met vrees voor gedrag dat herhaald gevaar voor de gezondheid of het welzijn van dieren oplevert. De gedragsaanwijzing is geen zelfstandige vorm van afdoening maar anticipeert op een rechterlijke beslissing. De gedragsaanwijzing wordt daarom alleen gegeven als op het moment van oplegging het voornemen bestaat de verdachte te dagvaarden. Na een gedragsaanwijzing blijft een sepot met algemene voorwaarde of een strafbeschikking mogelijk. Art. 509hh lid 2 Sv bevat een limitatieve opsomming van de mogelijk te geven gedragsaanwijzingen, die mogen cumuleren: het gebiedsverbod, het contactverbod, een meldplicht, de verplichting zich te doen begeleiden door de hulpverlening of het bevel geen of minder dieren te houden, dan wel bepaalde diersoorten niet te houden. Er kan geen elektronisch toezicht worden verbonden aan deze gedragsaanwijzingen. De gedragsaanwijzing zich te doen begeleiden door de hulpverlening mag gelet op de bedoeling van de wetgever niet het starten van een behandeling inhouden, maar enkel het bevestigen van lopende contacten met de hulpverlening (niet zijnde begeleiding door de reclassering). Art. 38v Sr voorziet in de mogelijkheid tot vordering van vrijheidsbeperkende maatregelen als zelfstandige sanctie via de rechter. Een vrijheidsbeperkende maatregel kan alleen worden gevorderd wanneer de veroordeling wegens een strafbaar feit wordt gevorderd. Dat kan ook als daarvoor geen straf of maatregel wordt geëist op grond van art. 9a Sr. De maatregel dient te strekken tot beveiliging van de maatschappij of tot voorkoming van strafbare feiten (art. 38v lid 1 Sr). Bij dat eerste wordt met name gedoeld op het voorkomen van belastend gedrag jegens personen. In art. 38v lid 2 Sr is een limitatieve opsomming7Op grond van artikel 8.11a Wet Dieren is het naast een gebiedsverbod ook mogelijk om een vrijheidsbeperkende maatregel betreffende een houdverbod dieren op te leggen. Dit artikel kan worden beschouwd als een lex specialis ten opzichte van artikel 38v Sr. gegeven van de mogelijke maatregelen: een gebiedsverbod, een contactverbod, een locatiegebod of een meldplicht bij de politie. Deze maatregelen kunnen cumuleren, maar die cumulatie mag in het licht van de ernst van het feit niet onevenredig bezwarend zijn. De vrijheidsbeperkende maatregel kan zowel bij (relatief) lichte als zwaardere feiten worden ingezet. Bij oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel wordt tevens door de rechter bevolen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast indien de maatregel niet wordt nageleefd (art. 38w lid 1 Sr). In beginsel vordert het OM één week vervangende hechtenis voor iedere overtreding. Binnen het voorwaardelijk kader van de voorwaardelijke veroordeling kan worden gewerkt aan gedragsverandering door het toezicht van de reclassering. Dat kan niet binnen het kader van een vrijheidsbeperkende maatregel. In bepaalde gevallen kan het echter de voorkeur verdienen om (ook) een vrijheidsbeperkende maatregel te vorderen voor oplegging van een contactverbod, locatieverbod en/of locatiegebod. Bij de vrijheidsbeperkende maatregel hangt de mogelijkheid om overtreding van het verbod of gebod te sanctioneren niet af van de hoogte van het (resterende) voorwaardelijk strafdeel. Voorts gaat het sanctioneren van overtreding van het verbod of gebod niet ten koste van een voorwaardelijk strafdeel indien naast de vrijheidsbeperkende maatregel een voorwaardelijke straf wordt opgelegd met andere voorwaarden. De eisen aan dadelijke uitvoerbaarheid zijn verder minder zwaar. Wel is het zo dat bij de vrijheidsbeperkende maatregel ex 38v Sr de vervangende hechtenis gemaximeerd is tot 6 maanden en de vervangende hechtenis in beginsel is beperkt tot één week. Binnen de jurisprudentie wordt verschillend gedacht over de mogelijkheid om elektronisch toezicht te koppelen aan de vrijheidsbeperkende maatregel.8In Rechtbank Gelderland 7 februari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:462 werd elektronisch toezicht gekoppeld aan de vrijheidsbeperkende maatregel. Het OM gaat ervan uit dat dit wel kan.9De achtergrond van dit standpunt is als volgt: Weliswaar is anders dan bij 38v Sr bij de voorwaardelijke kaders waarbij elektronisch toezicht mogelijk is dit expliciet bepaald in de betreffende wetsbepalingen maar de wetgever heeft bij gelegenheid van de behandeling van het wetsvoorstel waarmee 38v Sr is ingevoerd nimmer uitdrukkelijk elektronisch toezicht (ET) uitgesloten. Wel heeft de wetgever aangegeven dat ET niet met de met de maatregel beoogde geringe beperking van de vrijheid van bewegen van de veroordeelde in verhouding lijkt te staan. Deze voorzichtige formulering sluit ET wat het OM betreft niet uit. Dit kan immers ook zo worden gelezen dat (bijv. als 38v Sr wordt toegepast bij lichtere feiten) de beperking van de vrijheid gering kan zijn en dat daarbij dan geen ET past. Wanneer de vrijheidsbeperking meer dan gering is (bijv. als 38v Sr wordt toegepast terzake zwaardere feiten) dan past ET daar wel bij. In die situaties wordt dan ook wat het OM betreft geen reden gezien om ET niet mogelijk te achten. ET is als gezegd mogelijk langs de weg van 14c Sr en zelfs voor een veel langere duur (tien in plaats van vijf jaar). Er valt niet in te zien waarom ET niet bij de maatregel die ’maar’ vijf jaar mag duren mag worden toegepast, maar wel bij potentieel langer durende interventie van 14c Sr. Verder speelt mee dat net als bij 14c Sr uiteindelijk de rechter beslist over ET; er is dus altijd een rechterlijke toets. De rechter bepaalt de uiteindelijk vrijheidsbeperking (gering of niet) en het bijbehorende handhavingsregime. En als de rechter tot ET beslist, is er gegeven bovenstaande interpretatie weinig reden om dat als OM niet te vorderen. Bij het vorderen van de vrijheidsbeperkende maatregel met elektronisch toezicht dient zekerheidshalve subsidiair altijd een voorwaardelijke veroordeling met contactverbod, locatieverbod en/of locatiegebod te worden gevorderd met elektronisch toezicht. De vrijheidsbeperkende maatregel met elektronisch toezicht wordt slechts (primair) gevorderd indien dat om bovengenoemde redenen de voorkeur verdient. Als dadelijke uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden haalbaar is en een voorwaardelijke strafdeel niet te kort zal zijn, wordt een voorwaardelijke veroordeling met elektronisch toezicht gevorderd. Voorts kan een voorwaardelijke veroordeling de voorkeur verdienen boven een vrijheidsbeperkende maatregel, als de periode van de maatregel met elektronisch toezicht niet gelijktijdig zal lopen met een proeftijd van andere bijzondere voorwaarden. Elektronisch toezicht kan een bijdrage leveren aan gedragsverandering tijdens het reclasseringstoezicht op de bijzondere voorwaarden. Een mogelijkheid is ook om zowel de vrijheidsbeperkende maatregel als bijzondere voorwaarden met elektronisch toezicht (primair) te vorderen. Een vrijheidsbeperkende maatregel met elektronisch toezicht wordt slechts (primair) gevorderd nadat de reclasseringsofficier of bij diens afwezigheid een senior officier van justitie daarmee heeft ingestemd. Voor het vorderen van elektronisch toezicht gelden de voorschriften in de Aanwijzing voorwaardelijke straffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden. De officier van justitie dient bij een vrijheidsbeperkende maatregel met elektronisch toezicht nadrukkelijk te vorderen dat de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de vrijheidsbeperkende maatregel door middel van elektronisch toezicht. Gratie is vermindering, verandering of kwijtschelding van een opgelegde straf of maatregel door Zijne Majesteit de Koning. Verzoeken om gratie worden namens de Minister behandeld en gecoördineerd door Justis. Gratie kan alleen worden verleend op grond van enige omstandigheid, waarmede de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan; dan wel indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Gratie kan ook onder voorwaarden worden verleend. Indien het gratieverzoek betrekking heeft op een uitspraak van een meervoudige kamer of het OM een advies als bedoeld in artikel 6:1:10 Sv heeft gegeven, adviseert het OM over de gratie, en – in het verlengde daarvan – over de te stellen voorwaarden. Pas wanneer zich een van de gratiegronden voordoet, komt de vraag in beeld of het nodig is om aan de gratieverlening voorwaarden te stellen. Deze voorwaarden kunnen het gedrag van de veroordeelde betreffen (art. 13 lid 1 Gratiewet). In art. 13 lid 2 en 3 Gratiewet worden een viertal voorbeelden van voorwaarden genoemd die kunnen worden gesteld: Het verrichten van bepaalde onbetaalde arbeid of het volgen van een leerproject Betaling van een bepaalde geldsom aan de Staat Gehele of gedeeltelijke schadevergoeding Het vierde voorbeeld betreft een specifieke voorwaarde voor jeugdigen, te weten het verrichten van arbeid tot herstel van de door het strafbare feit aangerichte schade. Ook de voorwaarde geen strafbare feiten te plegen kan worden gesteld. Het begaan van een strafbaar feit kan bovendien grond zijn voor herroeping van de gratie op grond van art. 17 Gratiewet. De voorwaarden bij gratie kennen een afgeleid karakter. Daardoor wordt de inhoud van de voorwaarden begrensd door de corresponderende sancties. De te adviseren voorwaarden mogen niet ingrijpender zijn dan (het resterend strafdeel van) de opgelegde sanctie. Voor wat betreft de voorwaarden die het gedrag van de veroordeelde betreffen, moet daarom aansluiting worden gezocht bij de begrenzing van de gedragsvoorwaarden bij de voorwaardelijke veroordeling. De te adviseren voorwaarden dienen aldus te strekken tot bevordering van goed levensgedrag, dan wel gedragingen te betreffen waartoe de verdachte uit oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Het voorgaande betekent in concreto dat, naast de voorwaarden die in art. 13 lid 2 en 3 Gratiewet worden genoemd, in de regel alleen de navolgende bijzondere voorwaarden kunnen worden geadviseerd: Schadevergoeding Schadeherstel Waarborgsom Storting in een schadefonds Contactverbod (met of zonder elektronisch toezicht) Locatieverbod (met of zonder elektronisch toezicht) Locatiegebod (met of zonder elektronisch toezicht) Meldplicht Drugs-/alcoholverbod (onderdeel van het verbod is dat verdachte/veroordeelde meewerkt aan een middelencontrole) Behandelverplichting – ambulante behandeling Het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang Het deelnemen aan een gedragsinterventie Beperking van het recht Nederland te verlaten (reisverbod) Vestigingsverbod Verhuisplicht Volgen van een opleiding Meewerken aan hulpverlening door een aanbieder uit het lokale zorgveld (zoals schuldhulpverlenging, maatschappelijk werk etc.) Geen andere huisvesting zonder toestemming Meewerken aan middelencontrole Verbod kansspelen Vermijden contact met minderjarigen Verbod bepaalde werkzaamheden Houdverbod dieren. Andere voorwaarden kunnen alleen worden geadviseerd indien deze aansluiten bij de doelcriteria van de voorwaardelijke gratie, slechts op advies van de reclassering (wanneer sprake moet zijn van reclasseringstoezicht) of nadat de reclasseringsofficier of bij diens afwezigheid een senior officier van justitie daarmee heeft ingestemd (ongeacht of er sprake moet zijn van reclasseringstoezicht).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel