In het Besluit OM-afdoening 2008 is krachtens artikel 257ba, eerste lid, Sv voor daarin aangewezen zaken betreffende misdrijven of overtredingen in de sfeer van de wetgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving, voor zover die van geringe ernst of eenvoudige aard zijn binnen daarbij gestelde grenzen een strafbeschikkingsbevoegdheid verleend aan een aantal lichamen en personen, met een publieke taak belast. De zaken betreffen zowel economische als niet-economische delicten.
Tot 1 januari 2024 maakte deze richtlijn onderscheid tussen enerzijds ‘milieufeiten’ en anderzijds ‘keurfeiten.’ Deze systematiek is door de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet langer correct. De Omgevingswet ziet ingevolge artikel 1.2 lid 2 van die wet namelijk op de fysieke leefomgeving (onder meer: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultuur en werelderfgoed).
De gedragingen die worden verricht in strijd met de wet- en regelgeving op het gebied van beheer en onderhoud van waterstaatswerken zijn geen economische delicten. Deze gedragingen steunden voorheen op bepalingen uit de Model Keur van de waterschappen en zullen per 1 januari 2024 moeten worden overgezet naar verordeningen (anders dan waterschapsverordeningen) van een waterschap.1Het Omgevingsbesluit bepaalt dat bepaalde onderwerpen, waaronder beheer en onderhoud, niet in de waterschapsverordening mogen worden geregeld. Het Omgevingsbesluit bepaalt ook dat bepaalde onderwerpen niet in een gemeentelijk omgevingsplan mogen worden geregeld. Hierin kan worden bepaald dat het niet naleven van de hierin opgenomen voorschriften strafbaar is.
De gedragingen die zien op het onttrekken van grondwater zullen worden opgenomen in de waterschapsverordeningen en vonden voorheen hun plaats in de Model Keur. Per 1 januari 2024 zullen dit, gelet op het systeem van de Wet op de economische delicten en de Omgevingswet, economische delicten opleveren. Ditzelfde geldt voor gedragingen die zien op de handelingen in watersystemen, algemene regels, algemene regels (waterkeringen), algemene regels (waterkwantiteit), algemene regels (grondwater).
Ingevolge het tweede lid van artikel 257ba Sv is het College van procureurs-generaal (hierna: College) belast met het toezicht op en het opstellen van richtlijnen voor het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid door de aangewezen lichamen en personen.
Deze richtlijn bevat regels voor het gebruik van de twee in het Besluit OM-afdoening 2008 onderscheiden bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheden. Daarnaast bevat zij boetebedragen voor fysieke leefomgevingsfeiten.
De richtlijn is gericht tot de aangewezen lichamen en personen, hierna aangeduid als: bevoegd gezag.
Voor zover een bevoegd gezag het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid overeenkomstig deze richtlijn heeft gemandateerd aan een ander, dient het ervoor te zorgen dat de betrokken persoon de richtlijn eveneens in acht neemt. Deze zorgplicht ziet in het bijzonder op de wijze waarop wordt omgegaan met de hieronder te noemen contra-indicaties voor het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid, de rechtswaarborgen voor de verdachte en de boetebedragen. Bij het toezicht door het College op het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid zal dit een belangrijk aandachtspunt zijn.
Artikel 1
Samenvatting
Onderdeel van Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid fysieke leefomgevingsfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv)· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024