Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Aangifte en verhoor

Onderdeel van Aanwijzing slachtoffers in het strafproces· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2024

Slachtoffers worden door opsporingsambtenaren correct bejegend tijdens het doen van aangifte en tijdens het verhoor, opdat secundaire victimisatie zoveel mogelijk wordt voorkomen. Bij het horen van slachtoffers die in het bijzonder kwetsbaar zijn voor secundaire of herhaalde victimisatie, intimidatie en vergelding kan de politie beschermingsmaatregelen treffen. Het slachtoffer dat aangifte wil doen en de Nederlandse taal niet beheerst, wordt in staat gesteld aangifte te doen in een taal die hij begrijpt of krijgt kosteloos de benodigde taalkundige bijstand. Aan het slachtoffer dat de Nederlandse taal niet beheerst, wordt een kosteloze vertaling verstrekt van de schriftelijke bevestiging van de aangifte in een taal die hij begrijpt. Bij het opnemen van de aangifte of de start van een verhoor informeert de opsporingsinstantie het slachtoffer dat alle informatie in de aangifte of het verhoor in beginsel wordt gedeeld met het openbaar ministerie, bij vervolging met de verdachte en bij dagvaarding met de rechter. Er zijn mogelijkheden om bepaalde persoonsgegevens, zoals de naam en het adres van het slachtoffer, buiten de aangifte of het proces-verbaal van verhoor te houden. Er kan – afhankelijk van de omstandigheden – in overleg met het slachtoffer gekozen worden voor de in 3.4 en 3.5 genoemde modaliteiten. Voorwaarde is in ieder geval dat de betreffende persoonsgegevens afzonderlijk worden geregistreerd en de identiteit van het slachtoffer genoegzaam kan worden vastgesteld. Elk slachtoffer mag domicilie kiezen. Van domiciliekeuze is sprake indien het slachtoffer bij aangifte of verhoor een ander adres opgeeft dan zijn woonadres, zoals het adres van een slachtofferhulporganisatie, raadsman of werkgever. Door domiciliekeuze wordt voorkomen dat de verdachte of diens raadsman bekend wordt met het adres van het slachtoffer. Het woonadres van het slachtoffer is wel bekend bij de opsporingsinstanties en het openbaar ministerie, maar wordt afzonderlijk geregistreerd en niet gevoegd bij de processtukken. Opsporingsinstanties en het openbaar ministerie verzenden alle communicatie naar het door het slachtoffer opgegeven domicilieadres. Kan het slachtoffer geen alternatief adres doorgeven, dan kan bij wijze van uitzondering worden gekozen voor een overheidsdomicilieadres. In dat geval wordt het woonadres niet gevoegd bij de processtukken, maar wordt de post wel verstuurd naar het woonadres of emailadres van het slachtoffer. Een slachtoffer dat een gegrond vermoeden heeft dat een aangifte of verhoor kan leiden tot overlast, zoals gevaar voor de persoonlijke veiligheid of veiligheid van anderen, of tot belemmering in de uitoefening van beroep kan aangifte onder nummer doen of door opsporingsambtenaren worden verhoord onder nummer. Bij aangifte of verhoor onder nummer wordt de identiteit van het slachtoffer niet prijsgegeven: naam, geboortedatum en adresgegevens worden niet in de aangifte of het proces-verbaal van verhoor opgenomen en het slachtoffer wordt met een specifieke code aangeduid. Deze gegevens zijn wel bekend bij de opsporingsinstanties en het openbaar ministerie, maar worden afzonderlijk geregistreerd en niet gevoegd bij de processtukken. Het slachtoffer dat bij opsporingsambtenaren aangifte heeft gedaan of is gehoord onder nummer kan in de regel als beperkt anonieme getuige worden gehoord door de rechter-commissaris (artikel 190 lid 3 Sv) of de zittingsrechter (artikel 290 lid 3 Sv).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel