Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Wijziging specifieke uitkering op aanvraag

Onderdeel van Tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2026

1. De minister kan het besluit tot verlening van de specifieke uitkering op aanvraag van de ontvanger wijzigen. De minister besluit binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. 2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op: een situatie als bedoeld in artikel 9, zesde lid; of een wijziging van een mobiliteitsmaatregel waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt. 3. In geval van een situatie als bedoeld in artikel 9, zesde lid, kan de minister, mits er sprake is van bijzondere omstandigheden, bij een besluit tot wijziging van het besluit tot verlening van een specifieke uitkering bepalen dat de realisatie van de woningen op de betreffende woningbouwlocatie of de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen uiterlijk wordt gestart of afgerond op een ander moment dan genoemd in artikel 9, derde en vierde lid. 4. Een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan afwijken van een mobiliteitsmaatregel, genoemd in de bijlage, mits dezelfde woningbouwlocatie wordt ontsloten en de mobiliteitsmaatregel eenzelfde type mobiliteitsmaatregel is als waarvoor eerder de specifieke uitkering is verleend. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, kan uiterlijk worden ingediend tot de start van de realisatie van de mobiliteitsmaatregel waarop het oorspronkelijke besluit ziet. 5. In geval dat een aanvraag als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op de woningbouwlocatie Amsterdam Zuidoost of Amersfoort Spoor- en A1-zone kan een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, afwijken van het type mobiliteitsmaatregel, genoemd in de bijlage. De tweede volzin van het vierde lid is van overeenkomstige toepassing. 6. Het bedrag van een gewijzigde specifieke uitkering is niet hoger dan het bedrag van de oorspronkelijke specifiek uitkering. 7. Het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie is in het gewijzigde besluit niet hoger dan in het oorspronkelijke besluit. 8. Op aanvraag van de ontvanger kan naar het redelijk oordeel van de Minister in afwijking van het zesde lid een hoger bedrag worden verleend mits daardoor het uitkeringsplafond, bedoeld in artikel 4, eerste lid, niet wordt overschreden. De Minister kan daarbij afwijken van het percentage, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 7. 9. De Minister besluit binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste of achtste lid. 10. Indien een beschikking niet binnen de termijn, genoemd in het negende lid, kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met diezelfde termijn worden verlengd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel